woensdag 22 mei 2013

Even Better than Becher & Ruscha : De Nederlandse Huisvrouw Philips Nipo Frido Troost Erik Kessels Paul Kooiker Terribly awesome photo books Photography


Titel: De Nederlandse huisvrouw: onderzoek naar de huishoudelijke bezigheden door het NIPO in opdracht van Philips Nederland N.V. door NIPO
Uitgever: Philips
Bijz.: 1966. Gebonden.

Frido Troost
Institute for Concrete Matter te Haarlem

De Nederlandse Huisvrouw - Philips Eindhoven, afd. Marktanalyse, februari 1966
Onbedoeld het eerste en beste conceptuele fotoboek ooit in Nederland gemaakt. Gewapend met een vragenlijst togen NIPO-onderzoekers het land in om in opdracht van Philips de Nederlandse huisvrouw te interviewen over de gemakken en ongemakken van het huishoudmanagement in die tijd. Het boek begint met de uitkomsten van de survey (72pp) en vervolgt met de huiskamers en keukens van álle bezochte woningen, gefotografeerd vanuit twee standpunten (216pp.). Op elke fotopaar is een bordje met een indexnummer meegefotografeerd. Daar waar de fotograaf niet in staat was om een foto te nemen is een leeg kader geplaatst, al dan niet met opgaaf van reden (“Hier kon geen foto van de keuken/eetkamer worden gemaakt: het gezin zat te eten”). Niet alleen een onverbiddelijk tijdsbeeld, maar in opzet en uitvoering ook te lezen als autonoom fotoboek; het Nederlandse pendant van het werk van Ed Rucha en de Bechers…alleen nog veel beter!

Mentioned in : Erik Kessels / Paul Kooiker, Terribly awesome photo books 30 x 37 cm 64 pages news paper print edition of 1000 ISBN 9789490800093 
For several years, Paul Kooiker and Erik Kessels have organized evenings for friends in which they share the strangest photo books in their collections. The books shown are rarely available in regular shops, but are picked up in thrift stores and from antiquaries. The group’s fascination for these pictorial non-fiction books comes from the need to find images that exist on the fringe of regular commercial photo books. It’s only in this area that it’s possible to find images with an uncontrived quality. What’s noticeable from these publications is that there’s a thin line between being terrible and being awesome. This constant tension makes the books interesting. It’s also worth noting that these tomes all fall within certain categories: the medical, instructional, scientific, sex, humour or propaganda. Paul Kooiker and Erik Kessels have made a selection of their finest books from within this questionable new genre.












zondag 19 mei 2013

The Office Project 3 Het Kantoor Enno Develing the Choice of Frido Troost The Ducth Photobook


Author: DEVELING, E.
Title: Het Kantoor: Project drie. Met 4 EP grammo foonplaten, 33 1/3 r.p.m. Geluid en montage W. van Holstein. 24 pp interview tekst. 240 foto's van een uur kantoorleven. Losbladig in doos. Oplage 1000 stks.
Description: Manteau, Brussel / Den Haag, 1973. Titelblad licht roestvlekkerig. Overige schoon en net. Doos ruw karton. Nietjes van bodem los. Curieus geval.

Frido Troost

Het Kantoor (Project3) - Enno Develing, uitgeverij Mateau 1973

Enno Develing was naast conservator moderne Kunst van het Haagse Gemeentemuseum ook schrijver en in de laatste hoedanigheid, als kind van zijn tijd, gefascineerd door alternatieve vertelvormen. Onder de titel “Het einde van de Roman” publiceerde hij drie projecten: “De Soldaten”, “De Maagden” en tot slot “Het Kantoor”, een onmiskenbaar conceptueel meesterwerkje: De medewerkers van een Haags kantoor vertellen in een kwartier wat ze het laatste uur hebben gedaan. Het tekstgedeelte van het werk bestaat uit de letterlijke transcriptie van deze interviews (24 hilarische pagina’s). Tegelijkertijd heeft een team van fotografen één hoek van het kantoor vanuit vier verschillende standpunten elke minuut gedurende één uur gefotografeerd…zestig pagina’s met vier beelden. Op vier begeleidende singeltjes kan de lezer/kijker ondertussen de opgenomen kantoorgeluiden beluisteren. Simpelweg geniaal.




In de leefwereld van de mensen

Enno Develing, de voorloper van J.J. Voskuil

door Martijn Meijer
recensie recensie | Vrijdag 13-07-2001 | Sectie: Overig | Pagina: 20 | Martijn Meijer

Voskuils romanserie `Het bureau' is uitbundige fictie in vergelijking met `Het kantoor', een doos materiaal die de auteur Enno Develing in de jaren zeventig verzamelde.

Onder een berg onleesbare papieren ligt de tweelingbroer van J.J. Voskuil begraven. Een schrijver die lang voor Voskuils Het bureau de benauwde wereld van het kantoor tot onderwerp koos. Een schrijver op wiens werk de kritiek die Voskuil te verduren kreeg, bij uitstek van toepassing is: het heeft meer met de werkelijkheid te maken dan met de literatuur.
Aangezien herkenning van de door Voskuil beschreven kantoorcultuur een grote rol speelde in de algemene waardering voor Het bureau, werden de literaire verdiensten van de boeken soms over het hoofd gezien. Enkele publicisten klaagden dat 5.500 bladzijden echt te lang was voor een verhaal waarin niets gebeurt, te veel herhalingen voorkomen en de hoofdpersonen zich nauwelijks ontwikkelen. Het bureau zou kortom te veel op het echte leven lijken.
Dat de registratie van het `echte leven' ergerniswekkend banaal kan zijn, is afdoende gedemonstreerd door de realitysoap Big Brother, waarmee Het bureau wel vergeleken werd. ,,Het is soap voor intellectuelen', zei Vrij Nederland-hoofdredacteur Xandra Schutte in 1999 tegen de Volkskrant. ,,Voskuil heeft geen gevoel voor stijl en geen gevoel voor maat. Het is calvinistisch en armoedig. Het is bandrecorderproza.' Trouw-columnist Sylvain Ephimenco sprak van een `compilatie van notulen'. In een artikel over de teloorgang van de letteren, afgelopen december in Trouw gepubliceerd, beschrijft Ephimenco Voskuils werk als exemplarisch voor het kwalijke `minimalisme' in de Nederlandse literatuur: een `minimalisme in de vorm' en wat de inhoud betreft een minimale `maatschappelijke betrokkenheid'.
Dit `minimalisme' lijkt een erg relatief begrip. Je kunt Voskuil een minimalist noemen als je hem naast Peter Verhelst zet, en een maximalist als je hem vergelijkt met een schrijver die nog minimaler dan hij te werk is gegaan. En zo'n schrijver heeft bestaan: Enno Develing. In 1973 verscheen zijn project over het kantoorleven, Het kantoor. Develing (1933-1999) was een schrijver waarmee vergeleken Voskuil mijlenver van de werkelijkheid afstaat.Develing was pas echt een minimalist, en zijn `project' Het kantoor is je reinste bandrecorderproza: het bevat in spreektaal weergegeven interviews met kantoorpersoneel en foto's en geluidsopnamen van een kantoorruimte in een niet nader ge�dentificeerd Nederlands installatiebedrijf.
Develings rol als auteur was minimaal, op het niet-bestaande af, zowel in zijn werk als in het literaire leven. De critici schreven met onverholen spot over zijn projecten, het door hem beoogde brede publiek las hem niet. Amerikaanse Minimal Art-kunstenaars als Donald Judd, daaraan voelde Develing zich verwant. Eenvoudige geometrische vormen, emotieloos weergegeven, zonder symboliek of opgelegde esthetiek. Develing werkte in de jaren van zijn publicaties als wetenschappelijk assistent bij het Haags Gemeentemuseum, waar hij een documentatiesysteem over de nieuwste stromingen in de Amerikaanse kunst opzette. Ook organiseerde hij een tentoonstelling van de minimalist Sol Lewitt.
Functioneel
Enno Develing vond dat de kunst het museum uit moest, `de leefwereld in van de mensen'. Kunst moest helpen om de wereld leefbaarder te maken, zo functioneel worden als de Deltawerken. Literatuur moest haar `informatieve-communicatieve functie' terugkrijgen. Vandaar dat de scheidslijn tussen de werkelijkheid, althans die van een aprilochtend in 1973, en Develings project Het kantoor tot het minimale beperkt is. Met behulp van fotografen, geluidstechnici en interviewers heeft hij die ochtend gedurende een uur alles vastgelegd wat er in de betreffende kantoorruimte voorviel.
Het Letterkundig Museum wijdde in december 1973 een tentoonstelling aan het materiaal. Het kantoorproject werd vermenigvuldigd en in duizend exemplaren in de handel gebracht door de Brusselse uitgeverij Manteau, niet als boek maar als doos. Daarin zaten vier EP grammofoonplaatjes met geluidsopnamen (geroezemoes, het rinkelen van telefoons, het ratelen van typemachines), 240 foto's van keurige mannen en enkele vrouwen, werkend aan stalen bureau's, en vierentwintig pagina's interviewtekst, letterlijk opgetekend uit de monden van anonieme sprekers, zonder kop of staart, zonder vragen, als ��n blok monoloog.
,,In dit verhaal wordt niets verbloemd, niets weggelaten, niets mooier gemaakt', zei Develing dat jaar tegen De Gooi- en Eemlander. ,,Hier wordt het verhaal van een uur op een kantoor volledig verteld, zonder dat ik de lezer-luisteraar-kijker een bepaalde visie opdring. Hij moet en kan nu zelf zijn conclusies trekken.' Een mogelijke, hoewel waarschijnlijk onrechtvaardige conclusie op basis van Develings materiaal is, dat het kantoorleven anno 1973 van een misdadige banaliteit en betekenisloosheid was. Een uur met het babbelende personeel van Develing maakt een oneindig monotoner en nihilistischer indruk dan de dertig door Voskuil beschreven jaren bij elkaar. De kromme zinnen en kromme gedachten die ze te berde brengen zouden alleen misschien de afdeling volkskunde van het P.J. Meertens-Instituut kunnen interesseren, in het kader van een onderzoek naar kantoorcultuur van destijds.
Een voorbeeld: ,,Met de collega's is 't ook goed, nou ja, de ��n wel en de ander niet, dat is overal, h�, ik bedoel 't is overal verschillend. Nee, 't gaat ook, nee, zo vervelend doen ze nou ook weer niet, hoor, ik bedoel, 't is gewoon nou, ja de ��n kan meer uiten as de ander, 't is gewoon je moet d'r mee werke en eh nou ja, je werkt d'r ook mee, zo is 't.' Uit deze stuurloze kletspraat springt een paar keer een aardige uitspraak op: ,,Ik heb 's een pastoor horen zeggen of je nou eh kathedralen bouwt of aardappelen zit te schillen, da's voor God hetzellefde, nou zoiets zie zo beschouw ik 't ook wel een beetje.'
Heeft Develing een kathedraal willen bouwen of was aardappelen schillen hem genoeg? Met andere woorden, wat is nu de waarde van deze anti-roman? En wat bezielde de `schrijver' ervan, Enno Develing? Het kantoor kan het beste tot de conceptuele kunst gerekend worden, want in het verrassende idee ligt enige waarde, niet in de uitvoering ervan. Dat Develing door iets bezield werd, blijkt uit het feit dat hij een vergelijkbare procedure al bij twee eerdere projecten had toegepast, Voor de soldaten (1966) en De maagden (1968). In het eerste project werd de eerste dag van militair dienstplichtigen gereconstrueerd, in het tweede de ontmaagding van een aantal meisjes.
Ready-mades
Develing stond niet alleen in zijn pogingen een zo `objectief' mogelijke literatuur te schrijven. Hij is verwant aan stromingen als het neo-dada�sme van de jaren zestig, waartoe het tijdschrift Barbarber van J. Bernlef en K. Schippers gerekend kan worden, en Pop Art (Andy Warhol) en Nieuw Realisme (Tinguely) in de beeldende kunst. De kunstenaar leverde geen commentaar meer, interpreteerde niet; hij aanvaardde de werkelijkheid. Gewone gebruiksvoorwerpen werden tot kunstwerken uitgeroepen (ready-mades), en reclameteksten en gesprekjes in de trein tot literatuur. De progressieve kunstenaar wilde de scheidslijn tussen kunst en leven en tussen de hoge en lage kunst doorbreken - een ontwikkeling die zich later juist dankzij het door de linkse intellectuelen van toen zo verfoeide kapitalistische marktprincipe zou voltrekken.
Develing heeft zijn drie projecten verklaard en een rechtvaardiging proberen te geven in Het einde van de roman (1968/1973), een verzameling pamfletten. Hij had, zo blijkt, revolutionaire bedoelingen. Het moest maar eens afgelopen zijn met die autobiografische, individualistische romans waarin de schrijver uiting geeft ,,aan zijn persoonlijke frustraties, psychologische merkwaardigheden, zijn onmacht tot een voor hem aanvaardbaar maatschappelijk bestaan en verder alles wat nog meer zijn persoonlijkheid kan uitmaken'. De romankunst is losgeraakt van de werkelijkheid, vondDeveling, de elite gebruikt haar louter als `ontvluchtingsmiddel'. Bovendien is de communicatie tussen schrijver en lezer autoritair, want de laatste krijgt een hem wezensvreemde werkelijkheid opgedrongen. Dit is allemaal natuurlijk zeer `ondemocratisch'.
De creativiteit `tot nul gereduceerd', de `realiteit tot een maximum opgevoerd', dat wilde Develing bereiken in zijn werk. De schrijver moet zich uit zijn werk terugtrekken, zich niets meer verbeelden; de lezer mag het hem aangeleverde ruwe materiaal zelf interpreteren, in de hoop dat hij gaat beseffen dat er geen vaste waarden, geen zekerheden, geen eenduidige werkelijkheid bestaat. Een paradoxale onderneming is het, door middel van de beschrijving van zogenaamd objectieve feiten willen aantonen dat zulke feiten eigenlijk niet bestaan. Minstens zo paradoxaal als literatuur willen bedrijven zonder literaire middelen te gebruiken. Develings drie projecten zijn dan ook grandioos mislukt, door een gebrek aan structuur, aan vormgeving. Zijn oeuvre is een monument van overbodigheid. Uiteindelijk schatte hij, net als de door hem verfoeide autobiografische auteurs, het belang van het werkelijkheidsgehalte van de literatuur veel te hoog in. Waarschijnlijkheid is in de literatuur voldoende, zo leert Voskuils werk.
Develing zou een voorloper van Voskuil genoemd kunnen worden, aangezien ze allebei de nauwkeurige registratie van de kantoorwerkelijkheid beoogden. Alleen verlaat Voskuil zich op zijn herinneringen aan de tijd dat hij aan het Amsterdamse P.J. Meertens-Instituut werkte; het geheugen van de schrijver heeft al een eerste selectie gemaakt uit het materiaal dat de werkelijkheid aanbiedt. ,,De essentie van elke passage is waar', zei Voskuil zelf in een interview; de werkelijkheid werd ingedikt en herschikt in het schrijven. Zo komen de vele dialogen in Het bureau wel natuurlijk over, maar ze zijn nooit letterlijk zo uitgesproken. Dat de tekst de kracht van waarschijnlijkheid behoudt, dat is artistieke suggestie.
In de literatuur lijkt de directe, onopgesmukte weergave van het echte leven niet eens op het echte leven, maar op iets dat veel erger is dan dat: een wereld van louter feiten waarin de mens ronddwaalt, niet in staat tot articuleren. Dat is althans de conclusie die je moet trekken als je van Develings Het kantoor hebt kennisgenomen.
Info: Met dank aan Helga Ruebsamen
Foto-onderschrift: Enno Develing in 1973 te midden van `Het kantoor', met onder andere geluidsopnamen van kantoorleven foto Wolson, collectie Letterkundig Museum
Trefwoord: Kunst en CultuurKunstTaal- en LetterkundeLiteratuur
Persoon: Enno DevelingJ.J. Voskuil
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Enno Develing, geluidsopname uit Het kantoor, 1973 © Letterkundig Museum 

















donderdag 16 mei 2013

Industrial Intrusion Fractured: the Shale play Nina Berman Photography



THE HOME was deserted.  The occupants had fled, no longer able to bear the industrial intrusion that turned night into day and muffled the sounds of nature that had called them to this place years ago.  Late September, after midnight,  I came upon this spot and saw an apple tree transformed,  shaking in the wind, illuminated by flames from a nearby methane flare.   The air was hot and smelled.  For some, drilling to explode gas to heat our homes and power our world is progress that promises vast wealth.   For others, it portends destruction and ecological demise.     
Apple tree, Forest Lake PA, 2011 from the series Fractured: the Shale play by Nina Berman 

Jodie Simons shows the methane filled water that comes out of her kitchen faucet. Shortly after a second well was drilled and fracked near their property, Jodie's daugther became sick with nausea and headaches. When she stopped drinking the tap water, the symptoms stopped. Their animals died after a first well was drilled.

Het gas wordt duur betaald

In Pennsylvania wordt op duizenden plaatsen naar gas geboord. De prijs is hoog, ontdekte fotografe Nina Berman.
Schaliegaswinning
De Amerikaanse staat Pennsylvania is een proeftuin voor schaliegaswinning. Hier wordt al een paar jaar op grote schaal naar het nieuwe gas geboord, iets wat misschien in Nederland ook staat te gebeuren. In de staat in het noordoosten van de VS zijn maar liefst 74 gaswinningsbedrijven actief, die op meer dan achtduizend plaatsen boren naar gas, en dat zouden er de komende jaren wel eens honderdduizend kunnen worden. De enorme gasvoorraad ligt opgeslagen in het harde gesteente van het Marcellus-bekken, dat zich over een lengte van meer dan duizend kilometer uitstrekt onder Pennsylvania, West Virginia, Ohio en New York. Dat gas is alleen dankzij geavanceerde technieken te winnen waarbij op een diepte van meer dan een kilometer horizontaal wordt geboord. Dan wordt onder hoge druk een mengsel van zand, water en chemicaliën ingespoten waarmee gesteente wordt gekraakt waardoor het gas vrijkomt. Deze technieken worden pas sinds een jaar of vijf op grote schaal toepast.

Dag en nacht door
In Pennsylvania zijn boeren, gemeentebesturen en zelfs scholen gezwicht voor het grote geld – in de VS is, anders dan in Nederland, de eigenaar van de grond ook de eigenaar van wat in de grond zit. Gaswinningsbedrijven betaalden miljoenen voor de rechten om te kunnen boren. En zo veranderden delen van het pittoreske Pennsylvania de afgelopen jaren in hoog tempo in een geïndustrialiseerd gebied. Voor de Pennsylvanians is het schaliegas een zegen maar ook een vloek. Het brengt volop nieuwe werkgelegenheid, de wegen worden opnieuw geasfalteerd. Maar de prijs voor deze voorspoed is hoog, ontdekte fotografe Nina Berman.

Tussen 1 januari 2009 en 30 juni 2012 vonden alleen al in Pennsylvania meer dan drieduizend incidenten plaats, blijkt uit cijfers van het Department of Environmental Protection. Het gaat dan bijvoorbeeld om vissterfte in Dunkard Creek door een lekkende pijp (augustus 2009), lekkage van duizenden liters zwaar vervuild water nadat een bovengrondse pijp brak (november 2011, Hopewell), of lozing van verontreinigde modder in de Buffalo Creek (mei 2011). Schaliegaswinning is een zware industriële activiteit die dag en nacht door gaat. Er moeten miljoenen tonnen zand en miljoenen liters water worden aangevoerd. Er worden giftige chemicaliën gebruikt. Al het gebruikte en vervuilde water moet ook weer worden afgevoerd. Dat kan ondergronds, waarbij er gevaar bestaat dat grondwater wordt verontreinigd of aardbevingen worden veroorzaakt), of bovengronds in bassins, maar die kunnen bij overvloedige regenval breken. En dan heb je nog de problemen met – soms spontaan – vrijkomend methaan. Dat is een gas dat bij de boringen naar schaliegas altijd vrijkomt en zeer schadelijk is omdat het het broeikaseffect verergert.

Geëvacueerd
Schaliegaswinning kan ook een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Op het land van de buren van Darell Smitsky uit Hickory werd op zeventien verschillende plaatsen naar gas geboord. Het water uit zijn eigen bron ging raar smaken en zag er troebel uit. Vijf geiten die het water uit de bron dronken, stierven. Vissen uit de vijver verloren hun schubben alvorens het loodje te leggen. De Smitsky’s dronken alleen nog maar water uit flessen, maar bleven zich aanvankelijk nog wel douchen met water uit hun eigen bron. Maar na verloop van tijd kregen ze een vreemde uitslag op hun benen, dezelfde uitslag als een familie die vijf kilometer verderop woonde. Uit onderzoek bleek dat het water vol tolueen, uranium en andere zwaar giftige stoffen zat. De Pennsylvania Department of Environ­mental Protection (DEP) zag desondanks geen problemen. Smitsky in een interview dat is te zien op YouTube (zie vn.nl): ‘Ze zeiden dat het voor ons veilig was om het water te drinken.’


Verhalen zoals die van hem zijn er legio. De actiegroep Pennsylvania Alliance for Clean Water and Air heeft een lijst van maar liefst 1232 incidenten verzameld waarbij individuen zeggen door de schaliegaswinning gezondheidsproblemen te hebben gekregen. Steeds weer gaat het om water- of luchtvervuiling waardoor mensen zich onwel voelen, geëvacueerd moeten worden of behandeld in het ziekenhuis. Ook komt het vaak voor dat huisdieren, kippen, geiten of koeien sterven of dode nakomelingen baren.

Klachten zoals die van de familie Smitsky worden vaak terzijde gelegd of niet serieus genomen en de DEP is er de afgelopen jaren dan ook door critici van beschuldigd veel te slap op te treden tegen de gaswinningsbedrijven die in het gebied actief zijn. Onder president George W. Bush is milieuwetgeving aangepast om grote ondernemingen die schaliegas winnen te vrijwaren bij vervuiling van ondergrondse waterreservoirs of drinkwater. Architect van deze wetswijziging? Voormalig vicepresident Dick Cheney, die voorheen president-directeur was van Halliburton. Dat is nu een van de grote bedrijven die naar schaliegas zoeken. Verder vinden critici dat er veel te weinig inspecteurs zijn om alle activiteiten van de gaswinningsbedrijven te controleren.

De afgelopen jaren werd al die kritiek terzijde geschoven door DEP-directeur Michael Krancer. Ook was hij volgens lokale verslaggevers nauwelijks genegen openheid van zaken te geven als er weer een incident had plaatsgevonden. Pikant is dat deze Krancer jarenlang als advocaat de gasindustrie vertegenwoordigde en onlangs terugkeerde naar zijn oude werkgever, een advocatenkantoor in Phila­delphia. Krancer is nu weer te huur om gaswinningsbedrijven door de bureaucratie van Pennsylvania te loodsen, ‘toegang te geven tot beleidsmakers’, en zo mee te delen in de ‘overvloedige gasvoorraden’, aldus een wervende brief van een pr-bureau.

In een recent rapport adviseerde het Inter­nationaal Energie Agentschap landen vol in te zetten op de winning van schaliegas, omdat het de gasprijzen omlaag brengt en de overstap van kolen naar gas vergemakkelijkt, belangrijk omdat gas minder CO2-uitstoot. Daarbij is dan wel ‘zorgvuldige regulering’ vereist, en moet ook het toezicht goed georganiseerd zijn om ‘nadelige effecten op het milieu’ te voorkomen.

In Nederland wordt op dit moment in opdracht van het ministerie van Economische Zaken onderzoek gedaan naar de gevaren en risico’s van schaliegaswinning. Nederlandse waterleidingbedrijven en ondernemingen die afhankelijk zijn van schoon drinkwater als Coca-Cola, Grolsch, Heineken en Bavaria hebben hun zorgen geuit over mogelijke winning van het gas in een dichtbevolkt gebied als Nederland. Misschien is het een goed idee om een delegatie naar Pennsylvania te sturen. n
18-05-2013





woensdag 15 mei 2013

Global and National Icons Martijn Kleppe World Press Photo Awards Days april 27 2013 Photography

Raising the flag on Iwo Jima

A Lego recreation of Joe Rosenthal's 1945 photograph "Raising the flag on Iwo Jima". One of the most published photographs in history.


Martijn Kleppe : During the World Press Photo Awards Days, I was invited to give a keynote on my research about iconic photographs. You will find the text below (sorry, it is quite a long-read..), including my slides and links to the photographs I referred to. As always, any comments or suggestions are very welcome.
 What are iconic photographs?
It is a term that is very often and (maybe too) easy coined. Jurys like here at World Press Photo often search for new iconic photographs or want to believe they found one. And it is often asked to the jury members during the many interviews they give after the announcement of the new winning image: will the new World Press Photo of the Year be an iconic photograph?
But the term ‘iconic photograph’ is not only coined at photo contests. It happens as well after big news events. The day after the Boston bombings it became eminent that two photographs were used very often by all sorts of media outlets throughout the whole world. One horrifying picture of a victim who lost his legs and the other one by John Tlumacki of the Boston Globe shows the scene seconds after the first explosion. One runner has fallen down and three police officers react by pulling out their guns.
As somebody who is interested in the way historical events will be remembered visually, I am also intrigued which photos are used most often.It really looks like this photo could play an important role in the visual remembrance of the Boston Bombings. See for example the cover of Sports Illustrated. Is this photo already iconic? Maybe we could say it was an icon the days after the bombings, given the large publication rate. But in my description, an iconic photograph needs to be published very often over a longer period of time. So for me it is just too soon to state this photo is an icon of the Boston bombings.
Furthermore, when talking about iconic photographs I think we should ask (at least) two questions:
- Whose icon is it? Or in other words: For who is the photo an icon? For the citizens of Boston, or the US, or the whole world?
- And for which story is the photo an icon?
Even a seemingly straight forwarded news event such as the Boston Bombings  tell different stories and at this moment in time we simply do not know which story will be dominant in the public remembrance of the attacks (if it will be remembered off course). Will it be the explosion that was caught on tape and gives a horrifying feeling, comparable with 9/11 when the second airplane hit the World Trade Center? Or will we remember Boston by the hunt for the two suspects, leaving the city locked down? Both stories are different and can be visualised differently.
So when talking about photographs these aspects are crucial: whose icon is it & which story does it visualise? And maybe the myth or power of an iconic photo is that they can serve several stories for several people.
Unfortunately there is no recipe for an iconic photograph. It is a question that is often asked to me but it is just simply not there. Sorry for those photographers who came to my talk expecting I would tell the ingredients to produce a successful iconic picture but unfortunately, and as you probably all know, it is just not that simple. However, it is possible to distinguish some features when analysing the most well-known iconic photographs. In the first chapter of my book Canonieke Icoonfoto’s, I distinguish features around three levels: production, distribution and reception. However, for reasons of time I limit myself here to five features.  

This is the text of Martijn Kleppe during the Awards Days of World Press Photo, Saturday 27 April 2013, Amsterdam, The Netherlands.

V.J. Day Times Square

A Lego recreation of Alfred Eisenstaedt's 1945 photograph "V.J. Day Times Square".

woensdag 8 mei 2013

Been Child Homeless in the U.S. Jan Banning Photography


In “Down and Out in the South,” Banning has photographed 42 homeless men and women in Atlanta, Ga.;
Columbia, S.C.; and in the Mississippi Delta. While not the first to photograph modern society’s outcasts,
his approach is new. Eschewing caricaturizing depictions, Banning places his subjects in a studio setting
without their stereotypical belongings, focusing instead on their individuality — on who they are rather
than what they are.


Daklozen in de VS

Fotograaf Jan Banning ging op zoek naar de mens achter de dakloze.
‘Tot mijn veertigste leidde ik een normaal bestaan,’ vertelt Gloria uit Atlanta.
‘Tot ‘Tot de dag dat mijn verloofde thuis voor mijn ogen werd geëlektrocuteerd.’ Ze raakte depressief en aan de drank, en toen ze haar rekeningen niet meer kon betalen, werd ze haar huis uitgezet. Sindsdien is ze dakloos. Pijnlijk is haar herinnering aan de twee vrouwen bij de openbare bibliotheek die elkaar aanstootten en de daklozen die er rondhingen beschimpten. ‘Ik trok het niet en heb tegen ze geroepen: jij kunt ook alles verliezen, jij zou een van ons kunnen zijn!’

De gelauwerde fotograaf Jan Banning valt stil als hij het geluidsfragment op zijn laptop laat horen waarin Gloria over haar tegenspoed vertelt. ‘Bij dit fragment word ik altijd emotioneel,’ zegt hij. Hij begon in 2010 met het portretteren van honderd daklozen in het zuidoosten van de VS en sprak uitgebreid met hen om hun problematiek in kaart te brengen. Binnenkort is zijn tentoonstelling Down and Out in the South te zien tijdens het Fotofestival in Naarden.

Aanvankelijk had Banning weinig trek in ‘weer zo’n daklozenproject’. Hij vond het een uitgekauwd thema. Maar een bestuurslid van het centrum voor hedendaagse kunst dat hem als artist in residence in Colombia, South Carolina, had uitgenodigd, drukte hem nogmaals op het hart toch echt eens met de daklozen te gaan praten. ‘Hun treurige verhalen troffen mij meteen,’ zegt Banning. ‘Ze maakten mij weer eens duidelijk hoe ongelofelijk beroerd de sociale politiek in Amerika is. De crisis wordt vaak als boosdoener gezien, maar dat is hoogstens het laatste duwtje neerwaarts.’

Ineens kreeg hij een idee: hij zou de daklozen fotograferen als wíé en niet als wát ze zijn. De karakteristieke koppen met warrige baard zou hij overslaan, die bleken trouwens ook in de minderheid. ‘Ik wilde in mijn fotostudio een goed verlicht portret van ze maken,’ zegt hij, ‘eigenlijk zoals ik mensen altijd fotografeer. Toen kreeg ik er zin in.’

In Colombia bracht een sociaal werker Banning in contact met zijn doelgroep, in Atlanta trof hij honderden daklozen in de shelter. Banning bouwde ter plekke een fotostudio waar de daklozen zich misschien meer op hun gemak zouden voelen dan in zijn prachtige loft. Hij selecteerde zijn kandidaten op ‘de blik in hun ogen’. Maar zijn project moest ook representatief zijn voor de groep daklozen en daarom zorgde hij ervoor dat zwarten en mannen behoorlijk vertegenwoordigd waren in zijn serie.

Botte pech

‘Het eerste wat me opviel is dat veel mensen zich fatsoenlijk probeerden te kleden,’ vertelt de fotograaf. ‘Ze willen natuurlijk werk vinden, meedoen. Al is het maar om ergens je drank van te betalen.’ Het gesprek kwam meestal in een seconde op gang. ‘Ik meldde ze dat ik hun persoonlijk niets te bieden had, maar dat het project maatschappelijk relevant was. Vervolgens vertelden ze me vaak hun hele levensverhaal. Bij hun collega-daklozen kunnen ze het niet kwijt, die hebben hun eigen sores. En op straat wenden mensen hun hoofd af zodra ze een dakloze zien. Niemand kijkt naar ons, hoorde ik vaak.’

Een gesprek met een zwarte dakloze man staat hem nog helder voor de geest. Tijdens de conversatie dook ineens het beeld op van een klein jongetje. ‘Ik realiseerde me plots: hij is gewoon een peuter geweest! Waar is het misgegaan? Hij bleek zijn vader nooit te hebben gezien, zijn moeder een paar keer. “De buren hebben me een beetje opgevoed,” zei hij. Hij was volslagen analfabeet. Ineens besefte ik: die man heeft nooit een kans gehad, natuurlijk is hij dakloos. Dat wordt nooit meer wat.’

Banning verzamelde uiteenlopende verhalen die samen een goed beeld geven van hoe je dakloos kunt worden. Een vrijwillige keus bleek het zelden. Hij destilleerde een aantal categorieën. Zo was er de categorie mensen met ‘botte pech’, zoals de getraumatiseerde Gloria, of de man die door zijn baas gedwongen was om iets loodzwaars op te tillen. Hij was door zijn rug gegaan en zat in een shelter te verrekken van de pijn. Van zijn invaliditeitsuitkering kon hij niet leven, en door zijn geringe opleiding kwam hij er pas achter dat hij rechten had gehad toen die waren verjaard. Dan was er de grote groep psychiatrische patiënten, vaak aan de drugs of drank. En een groep die constant werd opgepakt voor kleine vergrijpen zoals openbare dronkenschap. ‘Hoe groter hun strafblad, hoe moeilijk om nog werk te vinden,’ zegt Banning erover. Hij ontmoette ook mensen die zware delicten hadden begaan, zoals de man die twee traantjes op zijn wang had laten tatoeëren; elke traan stond voor iemand die hij had omgebracht. De vrouwen die Banning sprak, tot slot, waren vaak mishandeld of misbruikt.

Gewijde concentratie

Vrolijk stemmend zijn de levensverhalen niet. Toch lijken veel van de geportretteerde daklozen een serene rust uit te stralen. Met een beetje verbeeldingskracht zie je in hun ogen het kind dat Banning zag. Hun blik ving hij op zijn eigen wonderlijke wijze. ‘Ik kwam tijdens het gesprek steeds een beetje dichter bij de dakloze zitten,’ vertelt hij, ‘om de afstand ook fysiek te overbruggen. Tijdens het fotograferen prevelde ik van alles in het Nederlands, ik heb de neiging om in mezelf te gaan lullen.’ Dat ontdekte hij toen hij voor zijn befaamde project Troostmeisjes Indonesische vrouwen fotografeerde die door het Japanse leger tot prostitutie waren gedwongen. ‘Eerst dacht ik: man, houd toch je mond. Maar met het resultaat was niets mis en het geprevel geeft iets vreemds gewijds aan de ontmoeting. Zo voer ik ons weg van de snapshot, en leid ik ons naar het atelier van een beeldhouwer, met dat theatrale licht en die grote camera als decor. Ik probeer een sfeer van gewijde concentratie op te roepen: jij en ik creëren een monument van jouw leven. Ik geef geen aanwijzingen, maar vraag ze alleen in de lens te kijken, that’s it.’

Vorig najaar was zijn daklozenproject in Atlanta te zien: in een expositieruimte hingen de prints, op straat konden voorbijgangers de beelden via een video-installatie zien. Juist in de openbare ruimte kan Banning de mensen confronteren met hun eigen paradox: op foto’s willen ze best daklozen zien, maar in het echt niet. En de daklozen zelf, kwamen zij naar de expositie? Banning heeft ze uitgenodigd, maar ze bleken bijna allemaal onvindbaar. De meeste foto’s die hij ze stuurde, kreeg hij als onbezorgbaar retour.

Forthcoming :
6 mei 2013 »

Door PhotoQ

Het voorjaar brengt een hele reeks nieuwe fotoboeken. Ons oog viel de laatste dagen op Down and Out in the South van Jan Banning, Luilekkerlandschap van Korrie Besems, WAITS/CORBIJN ‘77 -‘11Here are the Young Men van Claire Felicie en Cadets van Ellen Kok.

De presentatie van het nieuwe boek van Jan Banning is op 18 mei in de Grote Kerk te Naarden. Down and Out in the South bevat 42 portretten van daklozen in de zuidelijke Verenigde Staten, een inleiding van de jonge Amerikaanse schrijver James Swift en Bannings Artist’s Statement (beide engelstalig).

Uitgeverij Ipso Facto publiceert het boek tegelijkertijd ook in een digitale editie (voor iPad). Die bevat de foto’s en teksten, aangevuld met geluidsopnamen en met videofragmenten van Frank van Osch (bekend van o.a. Omdat wij mooi waren, over troostmeisjes). Het digitale boek is nu al te downloaden van www.janbanning.com/bookshop. Daar staat ook een gratis te downloaden teaser.

Eveneens op 18 mei 2013 verschijnt het boek Luilekkerlandschap bij de opening van de gelijknamige solotentoonstelling van Korrie Besems in de projectzaal van Museum de Pont, Tilburg. Het eerste exemplaar zal die dag worden aangeboden aan Tineke de Ruiter, docent Fotografie en Kunstnijverheid aan de Universiteit Leiden en bestuursvoorzitter van Stichting Fonds Anna Cornelis. Het boek bevat een essay van cineast/schrijver Peter Delpeut, is tweetalig (NL/EN) en ontworpen door Mart. Warmerdam.

Uit de toelichting over het boek: Korrie Besems (1961) fotografeerde tussen juni 2010 en oktober 2011 de grensgebieden tussen vermaak en wonen, tussen vrije tijd en dagelijks leven: recreatieparken, golfterreinen, shopping malls, vakantie resorts en retailparken. Vrije tijd is de laatste decennia big business geworden. De claim die de vrijetijdsindustrie hiermee legt op het Nederlandse landschap heeft langdurige gevolgen voor de kwaliteit en het uiterlijk van dat landschap. Meer informatie bij de uitgeverij, ook over een presentatie op 16 mei in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam: 99 uitgevers

Op 5 mei is bij &Foam het boek WAITS/CORBIJN ‘77 -‘11 gepresenteerd, een uitgave van SchirmerMosel met fotografie van Anton Corbijn en Tom Waits. Veel informatie is de vinden op de speciaal ingerichte website www.waits-corbijn.com met onder meer verwijzingen naar besprekingen in de New York Times, Sunday Times Magazine, Stern, De Volkskrant en De Morgen Magazine.

Afgelopen vrijdag is het eerste exemplaar van Here are the Young Men door Claire Felicie uitgereikt aan de Commandant van het Korps Mariniers, brigadegeneraal der mariniers Richard Oppelaar. Felicie portretteerde Nederlandse mariniers in Afghanistan, voor, tijdens en na hun verblijf in de provincie Uruzgan en maakte daar drieluiken van, die internationaal veel aandacht trokken. Het boek - vormgegeven door SYB - bevat verder foto’s van talismannen en nachtelijke patrouilles.

‘Je ziet altijd van die foto’s van militairen in actie’, aldus Felicie. ‘Ik wilde de mensen laten zien dat het jóngens zijn die vechten. Dappere jongens.’ Meer informatie overhet boek: clairefelicie.com

Sinds afgelopen vrijdag is het boek Cadets van Ellen Kok te koop. Ze volgde gedurende een aantal jaren de leerlingen van Fall Mountain Regional High School in Langdon, New Hampshire in de VS. Uit he persbericht: ‘Wat leren jongeren van marcheren, schieten en elkaar aanspreken met hun rang? Helpt het hen in het leven? Wat zegt het over de rol van de militair in de Amerikaanse maatschappij? De klas is niet bedoeld om van kinderen soldaten te maken, maar ze te leren betere burgers te worden door ze militaire waarden bij te brengen die Amerikanen bewonderen: eer, doorzettingsvermogen, leiderschap.’

Tot in september is er van Koks werk in Langdon een tentoonstelling te zien in het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht. Alle informatie over Cadets is te vinden op de site cadets.us