vrijdag 22 mei 2015

Bullying Pictures make you look better The Production Line of Happiness Christopher Williams Photography


The Production Line of Happiness

Christopher Williams

‘A peculiar environment awaits you: one in which almost nothing can be taken for granted’ – The Guardian

A finger poised on a camera – its open back revealing the film roll and mechanism – sets the scene for this exhibition of photographs about photography. Somewhere between a film director, a picture editor and an art historian, American artist Christopher Williams (b.1956) investigates photography as the defining medium of modernism.

Williams’ exquisite prints reveal the unexpected beauty and cultural resonance of commercial, industrial and instructional photography. Often working with set designers, models and technicians, Williams’ technically precise pictures recall Cold War era imagery and 1960s advertising, as well as invoking histories of art, photography and cinema. His photographs are elements at play in a larger system including architecture, exhibition design, books, posters, videos, vitrines and signage that investigates the stage sets of the art world and the publicity structures on which they rely.

From his renowned 1989 studies of botanical specimens, Angola to Vietnam, to the hyper-real, colour saturated studies of kitchenware made in 2014, this first survey of Williams’ work in the UK immerses us in visually enthralling and politically resonant lines of enquiry.


Pesterige foto’s laten je beter kijken

Tentoonstelling

In de Whitechapel Art Gallery in Londen is een groot overzicht te zien van de Amerikaan Christopher Williams. Zijn foto’s spreken de taal van reclame, maar willen juist laten zien hoe manipulatief die commerciële beelden zijn.

Door HANS DEN HARTOG JAGER 21 MEI 2015

De Amerikaanse kunstenaar Christopher Williams speelt graag met verleiding. Neem zijn beroemdste foto, vanzelfsprekend prominent aanwezig op zijn grote overzicht in de Whitechapel Art Gallery in Londen. We zien een knappe vrouw die overduidelijk een moment van groot geluk beleeft. Haar heldere ogen stralen, haar grote, perfect gevormde mond lacht breed, haar tanden zijn wit, haar appelwangen glanzen. Tegelijk zie je meteen dat de foto is geënsceneerd: het licht, de kleuren, de compositie zetten alles in zijn werk om de vrouw onwerelds te laten glunderen. En dus snappen wij, goedgetrainde mediaconsumenten de betekenis meteen: dit is een reclamefoto.

Maar toch begint het te knagen.
Want als deze vrouw een model is, waarom zit er dan een lonkende diepgele handdoek om haar hoofd geknoopt en een handdoek in dezelfde kleur over haar borsten gewikkeld? Maakt ze reclame, voor een zwembad of een sauna? Waarom is daarvan dan verder niks te zien, zelfs geen trillend blauw of wit tegeltje of groene varens? Waar is de merknaam? Hier klopt iets niet, zoveel is duidelijk, maar het is niet makkelijk vast te stellen wat.
De verwarring wordt nog eens versterkt doordat er links naast de vrouw een kleurenkaart is te zien, zo een waarmee fotografen vaststellen of de kleur in een afdruk wel klopt met de oorspronkelijke bedoelingen – maar dan wel een ouderwetse, waarin magenta, cyaan en geel nog niet te bekennen zijn. Die kaart lijkt voor Williams zelfs belangrijker dan het model, want de titel van het werk blijkt Kodak Three Point Reflection Guide c 1968, Eastman Kodak Company, 1968 (Meiko Laughing) Vancouver, B.C. April 6, 2005 te zijn. Hoe langer je kijkt en speurt en denkt, het is net alsof Williams je een prachtige, perfect geconstrueerde wereld toont, om vervolgens voor je ogen de puzzelstukken uit elkaar te trekken en ze triomfantelijk omhoog te houden: ‘kijk, ze passen niet!’Williams (1956) heeft alles zo perfect uitgekiend, dat het overbekend voorkomt, maar je toch ongemakkelijk wordt. Net zoals bij de foto van de blozende appels trouwens, even verderop in de tentoonstelling, of bij die van de statige zwart-witte kip tegen een babyblauwe achtergrond, die van de grote zwarte autoband die er twee keer (met minieme verschillen) hangt, ja zelfs bij de foto van een perfect uitgelichte doorgezaagde cameralens – veel van Williams’ foto’s tonen trouwens camera’s, lenzen, belichters.
En daar sta je dan, als toeschouwer, met de brokken.

Modernistische fase
Precies door die werkwijze is Williams de afgelopen jaren tot een lieveling van de kunstwereld uitgegroeid. Dat hij nu populair is (The Production Line of Happiness was al eerder te zien in het MoMA in New York) komt vooral doordat zijn werk- en denkwijze perfect aansluiten bij de modernistische fase waarin de hedendaagse fotografie verkeert. Steeds meer fotografen nemen geen genoegen met het ‘simpelweg’ tonen van een goed beeld, ze willen laten zien dat een foto is geconstrueerd, gemanipuleerd, dat het beeld dat we zien altijd is beïnvloed door de aanwezigheid van de fotograaf. Dat maakt zijn werk tot een bijzonder aangename ervaring voor iedereen die niet voetstoots genoegen wil nemen met wat hij ziet, die wil nadenken over de betekenis van de manipulatieve mogelijkheden van de camera. Tegelijk werkt Williams soms ook enorm op de zenuwen: hij is wel heel nadrukkelijk het slimste jongetje van de klas. Waar je ook kijkt, wat je ook bedenkt, Williams lijkt elke overweging die je bij zijn foto’s zou kunnen hebben, elk puzzelstuk, zelf al te hebben bedacht en een plaats te hebben gegeven.
Dat zit ’m niet alleen in de titels van zijn werken (die vrijwel altijd lang en beschrijvend zijn) maar ook in de tentoonstellingsinrichting. Waar de meeste kunstenaars die zien als een noodzakelijk ‘kwaad’ om hun werk zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen, is de inrichting bij Williams niets minder dan een deconstructief statement. Voor deze Whitechapel-expositie liet Williams wanden overkomen van voorgaande exposities (bijvoorbeeld uit een tentoonstelling in Bonn in 2009 en een uit een vorige Production Line-versie in Chicago, vorig jaar) die er overduidelijk misplaatst staan te zijn – maar daarmee in de Williams-filosofie perfect op hun plek zijn.
Die modernistische dubbelzinnigheid geldt ook voor de catalogus: die bestaat uit twee delen, tekst en beeld nadrukkelijk gescheiden, waarbij op de cover, naast de titel, geen foto staat, zelfs niet de naam van de kunstenaar, maar een exacte, woordenboek-achtige uitleg van het woord ‘barcode’ – het enige, door de overheid verplichte ‘beeld’ op de buitenkant van ieder boek. Het is allemaal grappig, het is pesterig, het is intelligent, maar ondertussen voel je als toeschouwer wel de behoefte steeds sterker worden om Williams tegen te spreken – simpelweg omdat hij niet lijkt te erkennen dat de toeschouwer zelf ook wel eens iets in te brengen wil hebben.

Kijkplezier

Daar zit natuurlijk ook precies de crux van Williams’ werk. Want of hij die tegenstand nu wel of niet expres oproept, zijn wereldbeeld is zo dwingend, complex en uitdagend dat je op The Production Line of Happiness krachtig wordt aangezet beter te kijken, beter te denken. Aanvankelijk is dat misschien vooral om die betweter van een Williams z’n vet te geven, maar het gaat al snel over in onmiskenbaar kijkplezier. Want de puzzelstukken die Williams aandraagt zijn zo alomtegenwoordig in de huidige beeldcultuur dat je inderdaad het gevoel krijgt door zijn werk op een betere of scherpere manier naar de wereld te kijken. En daardoor dringt ook langzaam het besef door dat Williams niet alles beheerst.
Neem een van de grootste ironische feiten over zijn oeuvre: dat zijn foto’s vaak zo perfect gelikt zijn, dat ze commerciële foto’s zo goed imiteren, dat camerageile fotoverzamelaars ze ‘gewoon’ als sexy plaatjes van appels en vrouwen en lenzen en camera’s beschouwen – waardoor Williams’ werk steeds populairder en duurder wordt. Is dat nu een zwakte, of slaagt Williams er juist in de financiële kant van de kunstwereld op een bijna Koons-achtige dubbelzinnige wijze in de tang te nemen? Je zou het als een veeg teken kunnen beschouwen dat Williams hier niks over zegt, laat staan er iets aan probeert te doen. Soms is de wereld sterker, lijkt hij breed grijnzend te zeggen, en soms is dat helemaal niet erg.
Een versie van dit artikel verscheen op donderdag 21 mei 2015 in NRC Handelsblad.
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Media BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.







dinsdag 19 mei 2015

Views & Reviews Indonesia A State in the Making Uitgeverij Contact Amsterdam Cas Oorthuys Photography

Een Staat in Wording. Foto-reportage over het Indonesië van heden. [Eerste, enige druk/first and only edition]

COURT, Alb. DE LA (text) & CAS OORTHUYS (photography)

Amsterdam-Antwerpen, Contact, Orig. coloured boards, dustjacket. Large title-label on front side. [127]pp. (incl. preface by Albert de la Court, of text and num. ills. and plates after original photographs by Cas Oorthuys, incl. captions to the illustrations in Dutch, in bold type. Photo account of the new republic of Indonesia, stull under Dutch colonial rule, up till the so-called Linggadjati agreement between the dutch and the Indonesian Republic, (25 March 1947). A much underrated photographic account by Cas Oorthuys. Good copy, WITH the seldomly present dustjacket. 

Indonesia independent - Photographs 1947-1953

Cas Oorthuys and 'Een staat in wording'

Self-portrait of the photographer in Indonesia (1947)From January until March 1947, Oorthuys travelled through Indonesia commissioned by ABC-Press and publishing house Contact. On his journey through Java and Borneo he was accompanied by the educationalist Albert de la Court, who wrote the texts.
His photographs were published at the beginning of July 1947 in the book Een staat in wording (A Nascent State), a plea for a peaceful solution to the Indonesian struggle for independence. (1)

Een Staat In Wording (A State in the Making)
 Posted in Bali Indonesia Java Photography cas-oorthuys March 3, 2013 by briancarnold

So different interests converged, and I found an interesting new book of photographs.

NFA02_ACF122
My interest in photobooks led me to the recent Aperture publi cation,The Dutch Photobook: A Thematc Selection from 1945 Onwards (Aperture; New York, 2012). And because of the Dutch relationship (i.e. colonial occupation) with Indonesia, a number of books were documented in this text exploring the relationship between the two cultures.  Thus, I was able to feed my interest in Indonesian photography.

Indonesia as we know it today, like much of Asia Minor, came into being after World War II.  Before that, modern Indonesia wrestled with occupying powers – the Dutch, Japanese, and Portuguese.  

And of these, the Dutch had the largest impact, both in the length of the governing influence, as well as economically, controlling the most affluent parts of the archipelago – chiefly Java, Bali, and Sumatra.
Oorthuys+staat+geheugenvannederland_nl

In 1947, Dutch photographer Cas Oorthuys was commissioned to photography Indonesia and its march towards independence.


NFA02_ACF11F

The result was Een Staat in Wording (A State in the Making).  The Japanese took over the archipelago from the Dutch during WWII, and then after Nagasaki 1945, the Dutch reclaimed dominion of the colonial territories.  Sukarno and the people of Indonesia, however, felt differently.  In 1945, Indonesia declared its independence, though it would be another 4 years before the Dutch accepted defeat and acknowledged the sovereignty of the nation.


knip-nfa02_cas-10425-3_u

Oorthuys photographed the islands in 1947, and was caught in the fever of the nations move towards independence.
NFA02_ACF11D

Photographed in what I would call a Life magazine style, the reportage is simple, but clearly Oorthuys found an affection for the spirit ofmederka (freedom), and attempted to show Indonesia and its people as strong and vital.
resolve

Oorthuys photographed many facets of the culture at the time – members of the resistance, people on the streets, rice farmers, volcanic landscapes, and even members of the Dutch military – however the real strength of the book, in my mind, lies in the empathy offered my a member of the Dutch intelligentsia.
resolve-1

In researching photos to post here, too, I found a nice little blog to share, Nobodycorpfound, a look photographs documenting the early history of Indonesia.

Twee Nederlandse fotografen hun tijd vooruit in Indonesië; Van zachtmoedigheid tot vijandschap

Tentoonstelling: Indonesia in wording, foto's van Cas Oorthuys en Charles Breijer 1947-1949. T/m 28 mei. Museum voor Volkenkunde, Rotterdam.

Door KESTER FRERIKS 15 APRIL 1995

Stoer, heldhaftig, uitdagend en ongenaakbaar staan ze in een groepje bijeen, de Republikeinse militairen die Cas Oorthuys in 1947 fotografeerde in Jogjakarta. Oorthuys koos een laag standpunt, de mannen blikken fier omlaag - niemand die hen wat doet, er valt niets te spotten. Met hun zware schoenen en brede schouders wekken ze de indruk geduchte tegenstanders te zijn. En dat waren ze ook. Ze behoorden tot de nationalisten die tussen het uitroepen van de Indonesische Republiek op 17 augustus 1945 en de soevereiniteitsoverdracht pas vier jaar later tegen de Nederlanders vochten voor hun eigen land.

Op die zeventiende augustus riepen de leiders Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van het land uit. 'Merdeka' luidde het slagwoord. Vrijheid. In de schilferige verf van oude muren werd in onhandige, hulpeloze hanepoten 'Freedom for all nations' gekrast. Hotels met vertrouwde oud-Indische namen heetten ineens 'Hotel Merdeka'. En: ineens waren de aldoor als zachtmoedig beschouwde Indische mensen de Nederlanders vijandig, of in elk geval dan toch kwaadwillig gezind.
Fotograaf Cas Oorthuys reisde in januari van 1947 naar Indonesië. Zijn vriend Charles Breijer, filmer en fotograaf, ging er een maand later heen. In de periode tot aan de onafhankelijkheidsverklaring, dus juist in de tijd van de politionele acties, maakten zij fotoreportages van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die hen van Nederlandse zijde niet in dank werden afgenomen. Zij konden goed kijken, met eerlijke en autonome blik. Oorthuys en Breijer geloofden, destijds, in een goedschikse oplossing van het koloniale vraagstuk. Beiden fotografeerden de Indonesische revolutie zoals zij uiteindelijk was, niet als de strijd van een handjevol republikeinse extremistische dwarsliggers, zoals de Nederlandse lezing van regeringswege zo graag wilde, maar als een vrijheidsstreven gedragen door het hele volk.
In het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam is een fototentoonstelling van hun werk te zien, getiteld Indonesia in wording, onmisbaar voor iedereen die zich afvraagt hoe het zover kon komen dat de Nederlandse regering troepen naar Indonesië stuurde om de onafhankelijkheid tegen te gaan. Nog steeds vraagt iedereen die dit onderwerp ter harte gaat zich af waarom de breuk niet werd voorzien en waar Nederland de energie en de moedwil vandaan haalde een oorlog in een verre uithoek van de wereld te beginnen, zo vlak na de WOII.
Oorthuys en Breijer waren non-conformisten. De eerste vertrok naar Indonesië in opdracht van ABC-Press en de Amsterdamse Uitgeverij Contact om een beeld te geven van het Indische volk, dat door de merdeka-gedachte aangeraakt 'streeft naar de verwezenlijking van een eigen staatsvorm'. Dit was een progressieve opdracht voor die tijd. Oorthuys maakte meer dan tweeduizend opnamen, die hij later comprimeerde tot een van de belangwekkendste Nederlandse fotoboeken. Het heette Een staat in wording, het verscheen in 1947 in een oplage van tienduizend exemplaren, en luttele jaren later lagen achtduizend exemplaren voor twee kwartjes bij De Slegte.
De actualiteit van Oorthuys' boek was van korte duur. Zijn voorkeur ging uit naar straattaferelen en opnamen van het Indonesische volk in hun dagelijkse omgeving, waarbij hij koos voor het Indonesische standpunt. Maakte hij officiële opnamen, dan beeldde hij de regeringsleiders af in een immense ruimte, waarin ze nietig en klein leken.
In de stad fotografeerde hij de inwoners, getekend door armoede, maar ook met iets welbewusts in de ogen, trots in hun revolutionair élan. Treffend in al zijn eenvoud is de foto van een jongen die, blootsvoets, door Djakarta loopt. Het is 1947. Hij heeft en kaart van Azië onder de arm, die voor de helft zichtbaar is. Het lijkt of hij een schoolgebouw verlaat. De suggestie is duidelijk: hier heeft een schoolkind de oude landkaart, ongetwijfeld uitgebracht door een Nederlandse drukkerij als Wolters/Noordhoff in Groningen, van de muur gehaald. Want tegelijk met de soevereiniteit moest natuurlijk ook het door Nederland gedicteerde, geografische beeld van Azië veranderen.
Deze documentaire fotografie van Oorthuys en Breijer staat op grote hoogte. Achter de foto's gaat een verhaal schuil. Zo maakte Breijer in 1948 een foto van een limousine waarvan de neus dreigend en krachtig in beeld schuift. Bovenop de wagen van het corps diplomatique prijkt de rood-witte Republikeinse vlag. Maar de band is lek; een Indonesiër verwisselt hem juist. De toegewijde man is klein naast die monsterlijke grille van de auto; zelfs de band lijkt te groot voor hem.
Is Cas Oorthuys de meest bewogen en geëngageerde fotograaf, Breijer toont de ironie. Zo weet hij in een enkele opname de blanke, koloniale tijd vast te leggen. Een tijd die wankelde. In 1948 fotografeerde hij op het vliegveld Kemajoran van Djakarta vier Nederlandse mannen in wit tropenkostuum. Ze kijken uit over het vliegveld, in volle afwachting. Ze hebben grote zakdoeken tegen het zonlicht over hun hoofd geslagen, ze zijn weldoorvoed. Van één man kunnen we duidelijk zijn gezichtsuitdrukking lezen: verbitterd, moe ook, teleurgesteld.
Kijken we dan naar een foto die Oorthuys maakte in een jutefabriek op Malang, dan vangen we in een oogopslag de beide werelden waaruit het voormalige Nederlands-Indië bestond. Die van de blanke elite voor wie het land onder hun voeten verbrokkelde en die van het jonge Indonesische volk, dat werkte aan de opbouw van het land.
Oorthuys werkte onafhankelijker dan Breijer. De laatste was assistent-cameraman bij het regeringsbedrijf Multifilm Batavia. Daar werkte hij mee aan de serie Wordende Wereld, bioscoopjournaals voor Indonesië. Om aan de Nederlandse censuur te ontsnappen, zo lijkt het, fotografeerde hij in zijn vrije tijd. Zo was hij getuige van de tweede politionele actie van december 1948. Hij fotografeerde vaak vanuit patrouillewagens. Een lege weg strekt zich voor de motorkap uit, roerloze bomen aan weerskanten, het lijkt of opwaaiend stof trilt in de hitte. Als toeschouwer ervaar je de spanning die in zo'n legervoertuig heerste. Rijden we niet op een landmijn? Lopen we niet in een hinderlaag? Breijer reed, inderdaad, met zijn jeep op een landmijn. Hij overleefde het gelukkig.
Behalve de foto's zijn er in Rotterdam fragmenten te zien uit de voorlichtingsfilms voor het thuisfront, die Breijer maakte. Soldaat overzee geeft een flatteus beeld van het opslaan van een bivak, stoere jungletochten en hoe onze jongens in hun uit atap-bladeren opgetrokken tenten brieven naar huis schrijven. De werkelijkheid was anders. Oorthuys en Breijer hebben een van de woeligste en onduidelijkste perioden van de Nederlands-Indische geschiedenis onvergetelijk vastgelegd. Zij kozen met hun foto's voor het juiste, veelbetekende detail dat vaak meer onthult dan uitvoerige historische verhandelingen.
Een versie van dit artikel verscheen op zaterdag 15 april 1995 in NRC Handelsblad.
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Media BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Eeuwen vóór en jaren ná Politionele Acties in Indië



SoekarnoDe recente verschijning van het in de Friese taal geschreven boek ‘Op klompen troch de dessa’ van Hylke Speerstra *) over de belevenissen tijdens de Politionele Acties (1946 – 1949) in Nederlands-Indië (van 18 oud-Indiëgangers uit Friesland) is voor mij dé aanleiding deze periode visueel met postzegels en affiches in combinatie met pregnante uitspraken uit het boek een ‘beeld-stripverhaal’ in historisch perspectief samen te stellen. Wellicht komt iets van de sfeer van deze sterk aan tijd gebonden periode met onoverbrugbare tegenstellingen weer enigszins tot leven. Begin volgend jaar verschijnt de Nederlandse vertaling van het boek.

Op klompen troch de dessa
*) De intermenselijk communicatieve ervaringen van de bejaarde oud-Indië-gangers met het thuisfront zijn ongetwijfeld ‘ogen-openend’ o.a. voor Dutch-batters en Libanon-gangers. Begrip en onbegrip liggen mijlenver uit elkaar. Een Engelse vertaling van het boek zal in het kerkelijk gezinde Amerika ongetwijfeld veel stof doen opwaaien!
nvph-1453
Bouw van een VOC-retourschip (nvph 1453) op de Amsterdamse werf Oostenburg aan het IJ. Het overgrote deel van de VOC-schepen werd hier gebouwd.
Wrak van het vlaggenschip De Amsterdam, dat nabij Hastings op zijn eerste reis in 1749 naar Indië in een zware storm met springvloed is vergaan. Lading bestond o.a. uit zilver t.w.v. 300.000 gulden en ballast (stenen & kanonnen).
NVPH 2103 a NVPH 2103 b
Als deel van een groter geheel varen drie VOC-koopvaardijschepen van de retourvloot 1760 in konvooi (onder begeleiding van oorlogsschepen) naar Nederland (nvph 2103). Met bolle zeilen en wapperende vlaggen varen de schepen tegen de leesrichting in naar links. Daarmee wordt de thuisvaart van de geladen schepen verbeeld. De ‘perforatie-overschrijding’ symboliseert de ‘overschrijding-van-grenzen’ van de risicovolle retour-zeereis naar Indië.

1) Vereenigde Oostindische Compagnie

In 1602 is door de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) de basis gelegd dat Indië onder Nederlands bewind terecht zou komen. Onze handelsvloot (halve oorlogsschepen) heeft door het winstgevende handelsmonopolie ons land rijkdom bezorgd.
KoninginNederlands-Indië 304 Nederlands-Indië 305 Nederlands-Indië 307

2) Tempo Doeloe (1870 – 1914)

In de goede oude tijd van vroeger (tempo doeloe), enkele decennia vóór/ná 1900, kwam door persoonlijk initiatief, liberalisering én investeringen de modernisering van Java en Sumatra langzaam op gang.
NVPH 2010 bsuikerfabriek Pangka
Litho van de suikerfabriek Pangla, residentie Tagal (Java), naar een tekening van A. Salm (ca 1880). Uitgestrekte plantages zorgden voor rijkelijke aanvoer van suikerriet.
Het economisch gewin voor ons land door import van koffie, thee, rubber en suiker werd steeds groter.
Batikken - Nederlands-IndieMattenvlechten Nederlands-Indië
Batikken en mattenvlechten en veel andere traditioneel ambachtelijke beroepen bleven er bestaan naast de door Nederlanders geleide plantages.
Het Indische leven van Nederlanders en inlanders komt in de literatuur op kritische, gevarieerde en/of meeslepende manieren ruimschoots aan bod door de schrijvers als Eduard Douwes Dekker[Multatuli] (nvph1370 & 2428), Louis Couperus (nvph 3059), Hella Haasse (nvph 2967) en Jan Boon(nvph 2972).
nvph-1370NVPH 3059 Louis CouperusNVPH 2967Jan-boon

3) Japanse bezettingsperiode (1942 – 1945)

NVPH 1618
Postzegel (nvph 1618) met printafdruk van een blote voet naast een houten sandaal, zoals die in Japanse interneringskampen gedragen werd.
NVPH 1332 groot
In drie kaders opgesplitste postzegel (nvph 1332) schenkt op een documentairachtige wijze aandacht aan het oorlogsleed van landgenoten in Indië (via foto’s van Cas Oorthuys):
  • 15 augustus 1945 de bevrijdingsdag van onze Nederlandse landgenoten.
  • Buigende vrouwen (onder wie enkele Nederlanders) in een Jappenkamp. Buigen was er een vaste en vernederende ceremonie.
  • Papierenkampgeld in Jappenkampen.
  • Krijgsgevangenen moeten uitermate zwaar werk aan de beruchte Birma-spoorweg verrichten.
interneringskampBirma spoor
Tijdens de Japanse bezetting (met hardvochtige Jappenkampen) is ook de Indische bevolking en een deel van de Indo-Europeanen overgeleverd aan de wreedheid en willekeur van de bezetter. Streven naar autonomie werd er gesmoord, paste niet bij de oorlogsinspanning van “Japan het licht, de beschermer én de leider van Azië”.
1 cent groen 5 cent blauw
“Politioneel bemeste sawah” en “Klapperbomen en inlanders”
Zie artikel Japanse bezetting van 22 april 2009

4) Politionele Acties in Nederlandsch-Indië (1946 – 1949)

Op 15 augustus 1945 meteen na de Japanse capitulatie werd door Soekarno de Republiek Indonesië uitgeroepen. De Republiek wordt niet erkend. Nederland achtte zich verantwoordelijk voor het welzijn van de gehele Indische bevolking. De revolutionaire beweging in de kolonie moest neergeslagen worden.
indonesia for indonesians
Ons leger van 100.000 man (KNIL-militairen, vrijwilligers & dienstplichtigen) bond vanaf maart 1946 de strijd aan met de opstandelingen. Afgezien van de politionele acties (kortdurende militaire aanvallen) bezat de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog het karakter van een guerrilla. De vijandelijkheden eindigden in augustus 1949. Op 27 december 1949 vond na de Haagse Rondetafelconferentie de soevereiniteitsoverdracht in Amsterdam plaats. Ongeveer 5.000 Nederlanders zijn omgekomen, Indonesië verloor 150.000 man.

5) Activiteiten aan het Nederlandse thuisfront

a) De Indonesische onafhankelijkheidsstrijd gaf in ons land aanleiding tot kleurrijke, politieke propaganda-affiches met opruiende teksten als:
  •  “De vlag gaat neer in Indië. Wilt gij dit?”
  •  “Rechten en plichten: Indië rekent op u.”
  • “Indië móét bevrijd.”
  • “Nederland en Indië ÉÉN.”
  • “Nederland helpt Indië (Nationale inzameling, giro 50500).”
vlag gaat neer
Onder de dekmantel ‘Nederland-acht-zich-verantwoordelijk-voor-de-gehele-Indische-bevolking’ werd op jonge mannen een beroep gedaan vrijwillig als militair naar Nederlands-Indië te gaan om de opstandelingen te bestrijden. De propagandaleuzen sloegen aan. Velen voelden zich verplicht te gaan door de jarenlange orthodox-religieuze ‘vooropleiding’ (op school en in kerk) van “Je staat in dienst van god, koningin en vaderland.”
Over het behoud van Indië als economisch wingewest werd toen openlijk in het geheel niets gezegd of gepubliceerd! Toen was er nog geen sprake van zelfstandig en kritisch denken in het toen nog sterk traditioneel denkende en handelende Nederland.
b) NIWIN-bijslagpostzegels [1 augustus 1949]: Nationale Inspanning Welzijnsverzorging INdië (tevens gelden voor Rode Kruis & Stichting helpt Indië/Stichting Zorg voor Gerepatrieerden). Hulp bestemd voor Nederlandse onderdanen & militairen in Indië. Voor de echte NIWIN-postzegels (nvph 538/41) bestond een meer aansprekend en inhoudsvol voorontwerp.
anjerPrins bernhard NVPH 539
  • Blanke hand geeft aan donkere hand een anjer. Verbeelding van ‘geven-en-ontvangen’ met prins Bernhards ‘anjer’ (de prins was de eerste voorzitter van NIWIN. Dynamisch & levendig ontwerp.
  • Twee handen met verschillende huiskleur strekken zich verheffend uit naar een stralende zonnebloem. Symbool/verbeelding van gezamenlijke hulpverlening. Statisch en symmetrisch. Een evenwichtig ontwerp.

 6) Het tijdgebondene in ons land ná de politionele acties

“De 18 mannen die aan het woord komen in het pas uitgekomen boek ‘Op klompen troch de dessa’ van de schrijver Hylke Speerstra hebben heel veel langer gezwegen, dan ze ooit hebben gesproken. Ze hebben zoveel meegemaakt, zoveel gezien, zoveel gehoord, zoveel beleefd in Nederlandsch-Indië en . . . toch gezwegen! Pas op heel late leeftijd komt er een einde aan het zwijgen en ontstaat er de behoefte ietsje van je ervaringen met een ander te delen”, aldus hoogleraar psychologie Douwe Draaisma.
nvph-1966

Met stralende lach en opgeheven gezicht loopt een Indonesisch jongetje in 1947 triomfantelijk langs een veranda met toekijkende kinderen. Met zijn hand omklemt hij een bijna opgerolde landkaart van de Indonesische archipel. De foto van Cas Oorthuys (nvph 1906) verbeeldt een staat in wording.
Speerstra is de persoon, die de bejaarde Indië-ganger met respect op de praatstoel weet te krijgen. Niet alleen door zijn verschijning en uitstraling, maar vooral door zijn ‘suggestieve’ benadering voelen zijn bejaarde gesprekspartners zich ‘verplicht’ te spreken. Er ontstaat voor hen vertrouwen en een ongekende open(hartig)heid [1].
De schrijver verstaat daarbij de kunst belevenissen in een bredere context te plaatsen. Dat is niet het vertrek naar Indië. Nee, het begint eerder bij de ouders, bij de ‘geboorte- en opgroeistreek’ [2], bij het onderwijs en de kerk [3]. Pas als dat verteld is, zijn de gebeurtenissen van later op waarde te schatten.
Er rollen ‘intieme’ nog nooit uitgesproken woorden [4] over de politionele acties en guerilla-oorlog [5] in Indië over de tafel (1946 – 1949). De veteranen laten zich bij Speerstra gaan.
In tegenstelling tot nu werd er vroeger meer gezwegen dan gesproken. Ogenschijnlijk reageerde men toen afstandelijk [6], onbetrokken en onaangedaan [7]. Het begrip ‘gevoel’ [8] was inhoudelijk klaarblijkelijk nog onbekend. Er waren voor beide partijen met geheel verschillende (be)leefwerelden gevoelsmatig nog geen woorden voor de (onvermoede) veelbewogen gebeurtenissen en belastende ervaringen aanwezig! Op een bewonderendswaardige wijze worden achttien verschillende traumatische herinneringen [9] tot een aansluitend en boeiend levensverhaal verweven met een hoog wetenschappelijk waarheidsgehalte. De gehele boekinhoud is veel meer dan de som der delen.

7) Onbegrip: er werden geen bruggen geslagen!

i rekent op u Ned&indie een
Draaisma: “Het zwijgen van de ex-militairen [10] is in het geheel niet vreemd geweest. Er werd door het thuisfront [11] ook nooit ergens naar gevraagd. Ook wilde je niet te koop lopen met je emoties. Je was destijds grootgebracht in een cultuur, waarin je je gevoelens voor je hield. Een lange periode van uitwendige stilte tegenover innerlijk tumult [12] brak aan voor de Indië-veteranen met slapeloze nachten en nachtmerries [13] tot gevolg.”
Met een aantal pregnante uitspraken, gedachten en constateringen van veteranen en thuisfront hoop ik u (via de genummerde verwijzingen) ietsje van de indringende en gespannen gevoelssfeer en -waarde (vooral door Friezen door de taal waarneembaar) van de oud-Indiëgangers te laten ervaren.
  •  “Als ik het zware, bijna verslavende medicijn van hard werken niet had gehad, dan zou Indië te veel beslag op me hebben gelegd!” [1]
  • “Ik heb wel emoties, maar ik loop er niet mee te koop.” [1]
  • Het aantal vrijwilligers uit de streng kerkelijke gemeenten Dongeradeel & Barradeel was aanmerkelijk hoger dan die uit het socialistisch gezinde zuidoosten van de provincie.[2]
  • “Hij heeft evenals de anderen vrijwillig voor Indië getekend: “Hiertoe voel ik me verplicht.” [2]
  • De kerkelijke gezindheid van de 157 gesneuvelde Indië-gangers: 56 gereformeerd, 5 christelijk-gereformeerd, 1 gereformeerd-vrijgemaakt, 54 Nederlands hervormd, 15 katholiek, 5 doopsgezind, 3 vrijgemaakt evangelisch en 18 buiten kerkelijk. [3]
  • ”Wees trouw aan god, koningin en vaderland” werd door de gereformeerde jongelingsvereniging ons nadrukkelijk ingepeperd: “In “goed kristen gie nei Indië.” [3]
  • Veel veteranen zijn met hun opgekropte waarheden en gevoelige geheimen overleden en ter aarde besteld. [4 & 5]
indie moet bevrijd Nedhelptindie
  • Volgens een Rode Kruis-bericht was hun zoon in de oorlog omgekomen. Bij zijn onverwachtse thuiskomst in het holst van de nacht krijgt hij van zijn vader alleen maar een hand! [6]
  • “Heit, vertel maar niets meer. We kunnen alles ook op internet opzoeken.” [7]
  • “Dat ik droom hebben de huisgenoten meermalen ervaren, maar waarover is me nog nooit gevraagd!” [7]
  • Bij het doorbladeren van het fotoboek bleken de foto’s los te zijn geraakt: “Speerstra, je mag de troep wel meenemen. Mijn kinderen en kleinkinderen hebben er toch geen belangstelling voor!” [7 & 11]
  • “Mijn moeder wilde bij thuiskomst mij omarmen en . . . zoenen. Ik wist toen niet hoe ik me moest opstellen. Daarbij ontdekte ik dat ik de liefde niet beantwoordde. Dat moet haar pijn hebben gedaan. Nu ik haar kind van 95 jaar ben, heb ik er nog spijt van!” [8] 
  • “Ik wilde gelukkig met hem worden, maar ‘Indië’ zat er voortdurend tussen.” [8]
  • Na terugkeer durfde de veteraan niet meer op straat te verschijnen: “Vreemde kluchten. Hij is toch lang genoeg met vakantie in de tropen geweest. [9] 
  • “Op een smal weggetje werd ik met mijn auto achtervolgd. Een scherpe bocht . . . , ik zweefde de dessa in . . . , spelende kinderen . . . . Het verhaal heeft naderhand nooit geen woorden meer gekregen!” [9]
  • Door Indië was hij sterk veranderd. Met zijn hond kon hij alles bespreken. “Hoe dan?” “Wij spreken zonder woorden!” [10]
  • “In mijn dromen sloeg ik ‘s nachts soms wild om me heen. Mijn vrouw stond dan met een bloedneus naast het ledikant!” [12]
  • Een echtgenote van een Indië-ganger: “De knopen van mijn pyjama zijn er ‘s nachts meer dan eens afgerukt!” [13]