zaterdag 26 juli 2014

Bread to Keep the Peace Food Henk Wildschut Photography

Henk Wildschut, Food

JTF (just the facts): Published in 2013 by Post Editions (here). Hardcover, 144 pages, with 91 color photographs and 95 black and white thumbnails (with accompanying captions). Includes a short artist statement on the jacket flap. (Spread shots below.)

Comments/Context: Food production is one of those touchy subjects that we all seem to have a strong opinion about, even though we are largely uninformed about its realities and details. With cues from the farm to table and slow food movements and lessons from Michael Pollan’s The Omnivore’s Dilemma rattling around in our brains, we know we want good healthy food (“organic “or not), grown not too far from where we live, raised in conditions that wouldn’t make us think twice or pull back in horror. We also want food that is relatively inexpensive, abundant, and undeniably safe. And increasingly, we are demanding evidence of supporting production processes that aren’t unnecessarily harmful to the animals or the environment. So the obvious challenge for modern farmers is that with consumers off in a blissful fog of happy cows in sunshine filled meadows, they need to come to grips with a set of conditions that are often contradictory, or at least in general opposition, while still finding a way to make a living.
Henk Wildschut’s photographs of Dutch food production sites bring this challenge into crisp clinical focus. Diving into technical details and industrial methods with the attention of a forensic scientist, his pictures sweep aside romanticism and dig deep into the cutting edge technologies being deployed in today’s most innovative farms. Depending on your perspective, given that his findings are so far from our 19th century ideals, your reaction will be somewhere between impressed with our collective ingenuity or astonished and a bit frightened by our increasingly technical optimizations. His point is that food production is far more nuanced and complicated than we generally understand, and even when we do the homework and get better educated, the answers aren’t easy – they require trade-offs that reasonable people will still disagree about, regardless of whether we’re talking about tomatoes and lettuce, milk and yogurt, potatoes and freshwater fish, or pork and beef.
His book is divided into six ominous sounding sections: Source, Protocol, System, Location, Product, and Hygiene, with each one supported by a selection of representative images from various different farms. One of the things that becomes immediately clear is that if we want inexpensive food, it needs to be farmed at larger scale, and with larger scale comes the need for standardization and regulation, as well as more systematic efforts at nearly every step in the chain to prevent infections, diseases, and other problems. Like Thomas Struth’s images of sites of technology, Wildschut’s photographs take on a eerie futuristic quality, as professionals in bunny suits normally found in a semiconductor clean room worry over special purpose computerized machinery designed to improve, automate, and track everything from vaccinations to packaging.
Wildschut’s photographs are framed and titled with deadpan accuracy, bringing unemotional scientific rigor to his subjects. Each image is a tiny object lesson in highly controlled process detail: petri dishes of infected leaves, highly accurate measuring systems, fluorescent lit industrial washing stations, custom built conveyor belts, and data centers filled with racks of servers. His monotone descriptive titles take on an ironic edge when closed door reality and our imagined fantasy don’t entirely align: Playground captures piglets in repeated rectangular pens with plastic flooring while River shows us rows of circular breeding tanks for farm raised fish. But it’s these inversions that really provoke new realizations about the state of modern farming. Lavatory shows an ingenious indoor fencing system that manages pig waste effectively, while Semi-finished shows a conveyor belt of brown and white chicks, color coded for easy separation between male and female. Innovative thinking is being applied at every stage, and a pervasive paranoia around cleanliness and order is found almost everywhere.
Photographically, Wildschut’s pictures alternate between squared off wider views of technology rich scenes (greenhouses, machinery, technical facilities) and closer in still lifes of isolated equipment, animals, and workers. His eye is often attracted by the puzzling or incomprehensible – odd looking machines with unfathomable (but later found to be important) functions, regimented racks of carcasses, perfect greenhouses that seemingly stretch to the horizon, and workers in hairnets and shower caps keeping the massive operations running. The photographs are just as controlled as the environments being depicted, obsessively crisp and clear, and yet still mysterious. Every visual puzzle is later unraveled in the captions to thumbnail images in the back of the book, educating us after we have taken the ride to wary incomprehension and back.
What makes this book work so successfully is its unwavering balance; it is neither a celebration nor an indictment of today’s farming, but simultaneously both – each photograph has the potential to look amazingly brilliant or delusionally crazy, depending on your vantage point. That open endedness ensures that the pictures provoke discussion, rather than stifling it with a one sided visual argument. It’s the kind of book that will likely kindle arguments, so casually leave it on your coffee table and wait for the sparks to fly.
Collector’s POV: Henk Wildschut just had a show of this body of work at Kominek Gallery in Berlin (here). His work has not yet reached the secondary markets, so gallery retail remains the best/only option for those collectors interested in following up.
Voedsel voor de vluchtelingen
Een vluchtelingenkamp is niet zomaar gevoed. Fotograaf Henk Wildschut onderzocht in Jordanië wat er bij komt kijken.
550 duizend ton graan
Ondanks het feit dat er in Jordanië geen tarwe wordt verbouwd, is brood het belangrijkste onderdeel uit het voedingspakket. Met de vier bestaande graansilocomplexen heeft Jordanië een opslagcapaciteit van ongeveer 550.000 ton graan. Genoeg om de bevolking voor zes maanden van brood te voorzien. Op dit moment wordt er op de grens met Saoedi-Arabië een groot nieuw silocomplex gebouwd met een capaciteit van 250.000 ton. Ook elders in het land wordt gewerkt aan een extra opslagcomplex. De silo’s vormen een extra buffer tegen de fluctueringen op de wereldgraanmarkt en maken Jordanië iets minder kwetsbaar voor grote prijsschommelingen. Daarnaast is de uitbreiding noodzakelijk in verband met de grote vluchtelingenstroom uit de omringende landen.
Gratis brood
R. Hammad leidt voor het World Food Program (WFP) de voedselvoorziening in het vluchtelingenkamp Za’atari. Het kamp is qua aantal inwoners – in maart van dit jaar waren het er 110.000, op dit moment zijn het er 82.000 – de vierde grootste stad in Jordanië . Elke dag verstrekt WFP 23 kubieke meter brood aan de inwoners. Per maand krijgt elke vluchteling een voucher ter waarde van twintig euro om zelf voedsel te kopen in de kampsupermarkt. Brood valt buiten dit programma en wordt gratis vertrekt. Maandelijks besteedt WFP 1 miljoen dollar aan brood. H. Hammad maakt strenge afspraken met de vier gecontracteerde bakkers over de kwaliteit en de leveringsvoorwaarden. Slechte kwaliteit brood kan onrust veroorzaken in het kamp. Het door WFP bij de bakkers gekochte brood valt niet onder de subsidieregeling van de Jordaanse overheid, WFP betaald dus de reguliere broodprijs.
Jordan Silos Company
Mohamed Abul Ghanam is directeur van de Jordan Silos and Supply General Company en is verantwoordelijk voor het goed opslaan van het door de Jordaanse overheid geïmporteerde graan. Het afgelopen jaar heeft hij ongeveer 1 miljoen ton tarwe opgeslagen in zijn silo’s en gedistribueerd naar de meelfabrieken in het land. In de laatste drie jaar heeft hij de opslag zien stijgen met 200.000 ton. Deze stijging is voor het grootste deel terug te voeren op de toestroom van vluchtelingen. De Silos Company is een onderdeel van het Jordaanse ministerie van Handel dat de tarwe inkoopt op de wereldgraanmarkt.
Twee maanden voor anker
De Captian P. Egglezos is met een lading van 45.000 ton graan in 22 dagen van Argentinië naar Aqaba, de haven van Jordanië, gevaren. Al het graan voor Jordanië wordt via Aqaba aangevoerd en vanuit graansilo’s over het land gedistribueerd. Het meeste graan komt uit Oekraïne, Rusland, India en Argentinië. In januari heeft de Captian P. twee maanden voor anker gelegen voor de kust van Iran. De reder wachtte tot de graanprijzen zouden stijgen om zo een betere prijs te kunnen krijgen voor de lading.
110 kilo brood per persoon
Gemiddeld eten Jordaniërs 110 kilo brood per jaar (in Nederland is dat 60 kilo). Om onrust bij de bevolking door bijvoorbeeld sterke fluctuering van de tarweprijzen te voorkomen, wordt brood door de overheid met 75% gesubsidieerd. Door de instroom van grote hoeveelheden vluchtelingen uit de omringende landen staat de economie in Jordanië onder grote druk en stijgen de prijzen, ondanks de zware subsidiëring.
240 gram per dag
Tussen zes en halfacht mogen de inwoners van het Za’atari vluchtelingenkamp brood halen bij een van de vier distributiepunten in het kamp. Per persoon is er 240 gram brood.
Lokale medewerkers van Save the Childeren zijn verantwoordelijk voor het uitdelen van het brood.
De UNHCR heeft op dit moment ruim 600.000 vluchtelingen geregistreerd in Jordanië, bovenop de vermoedelijk 1,4 miljoen ongeregistreerde vluchtelingen in het land. Jordanië telt 8 miljoen inwoners.
Kinderen halen het brood
Traditiegetrouw wordt het brood in Syrië meestal door kinderen bij de bakker gehaald. Zo ook in het kamp. Omdat er door drukte en stress vaak ongeregeldheden onder de volwassen onstaan, heeft WFP geprobeerd dit te veranderen. De traditie bleek sterker dan gedacht. Tijdens de distributie houden bewakers de gang van zaken nauwlettend in de gaten.
Alles is lekker
Ahmad woont nu een jaar in het kamp en heeft net voor acht personen brood gehaald. Thuis in Syrië haalde hij het brood van de bakker om de hoek, maar die is nu verwoest. Hij klaagt niet over de kwaliteit van het brood in het kamp omdat hij na een jaar belegering van zijn dorp ervaren heeft wat honger is. Nu is alles lekker.
Per familie is er één brooddistributiekaart waarmee ‘s morgens vers brood kan worden gehaald. Om de vijftien dagen moet de kaart opnieuw worden opgehaald en geregistreerd. Hierdoor krijgt WFP een goed overzicht van wie zich nog wel en niet meer in het kamp bevindt. Het kamp heeft een constante stroom van bewoners die komen en weer gaan. In de piektijd in 2012 woonden er bijna 144.000 mensen.
Vier distributiepunten
Het kamp, met een totaal oppervlak van 3,3 vierkante kilometer, heeft vier distributiepunten waar mensen op hetzelfde tijdstip in de rij moeten staan voor hun brood. WFP zoekt naar een manier om de brooddistributie net als de voedseldistributie uit te besteden aan een commerciële partner. Sinds maart van dit jaar staan er twee commerciële supermarkten in het kamp waar inwoners met vouchers voedsel kunnen kopen. Het voordeel van dit systeem is dat de inwoners van het kamp weer keuzevrijheid en eigenwaarde krijgen. Brood durft WFP nog niet uit handen te geven aan een commerciële partner, want het is van cruciaal belang dat de verstrekking ordelijk en betrouwbaar verloopt om onrust onder de bewoners te voorkomen.

vrijdag 25 juli 2014

The Poetry of the Great City in Color and Black and White Photography


A deserted 1950s theatre versus a packed metro train with passengers flattened against the windows. Just one of the many contrasts waiting to be discovered in The rush and calm, moments in the city, a major photo exhibition opening at the Hague Museum of Photography on 5 July.
Where else are social divisions so apparent? The city is a reflection of society and of the complexity of life. No wonder that its psychology is such a source of inspiration for photographers. The modern city presents an array of antitheses: it is both highly planned and labyrinthine, structured yet chaotic, a fast-moving and exciting place to live but at times a war zone from which to flee. In this show, 40 different photographers offer us their vision of the city in around 150 images. Most of the photographs come from one of the finest (anonymous) private collections in the Netherlands; a few are drawn from the collection of the Gemeentemuseum Den Haag. Top names include Karl Hugo Schmölz, Lee Friedlander, Diane Arbus, Ed van der Elsken, Mitch Epstein, Dana Lixenberg, William Klein, Walker Evans and Michael Wolf.     
The exhibition starts with around 70 vintage photos by German architectural photographer Karl Hugo Schmölz (1917-1986). In the 1950s, Schmölz documented the austere buildings erected during the post-war reconstruction and industrial regeneration of Cologne in images full of icy precision and devoid of human presence. Few photographers have ever captured the serene abstraction of the city as perfectly as he did. His pictures – made with a technical camera (negative format 18 x 24 cm) – meticulously record the German Wirtschaftswunder and portray the new office blocks, department stores, cinemas and theatres conjured from the rubble of the Second World War. The modern, functional architecture of the new buildings is matched by Schmölz’s coolly detached and rational style. Yet he manages to introduce dramatic effects, for example by making his images as empty as possible or by taking his pictures at dusk in order to maximise the contrast between light and dark.
The exhibition goes on to trace the emergence of post-war social unrest and the advances of the 1960s and 70s via trends in urban photography such as ‘street photography’ (Ed van der Elsken and Lee Friedlander) and the ‘new topographics’ (Henry Wessel and Lewis Baltz). It closes with a look at the rise of colour photography in the 1980s and 90s (Mitch Epstein and Martin Parr) and at contemporary 21st-century developments in urban photography (Larry Sultan and Jitka Hanzlová).
In stark contrast to the serene perfection of Schmölz’s images, the show includes photographs in which you can almost hear the hustle and bustle of the city: photos like the clandestine images of the Barcelona red light district created by Joan Colom in 1958-1961 or the pictures snatched by paparazzo Ron Galella. Michael Wolf goes further, viewing the city as a claustrophobic nightmare, and his Tokyo Compression series shows long-suffering commuters flattened against the windows of crammed subway trains.
De poëzie van de grote stad, in kleur en zwart-wit

Soms is de stad stil, donker en ijzingwekkend netjes, zoals op de foto’s van de Duitse fotograaf K.H. Schmölz (1917-1986). Tegenover de chaos van de Tweede Wereldoorlog plaatste hij de naoorlogse vooruitgang – welvaart, moderniteit – centraal in beelden die geheel van mensen zijn gespeend. Schmölz’ hoofdpersonen zijn de gebouwen zelf. Ze staan aanlokkelijk te stralen in de duisternis: een bioscoop, een autoshowroom, een benzinestation, een concertzaal. Allemaal leeg maar o zo begeerlijk.
Met ruim zeventig foto’s is Schmölz een van de pijlers van de tentoonstelling De stad, de stilte en het gedruis in het Fotomuseum Den Haag. Die bevat rond de 150 foto’s van veertig fotografen, grotendeels afkomstig uit een veel grotere verzameling van een anoniem Nederlands echtpaar. Alleen al van Schmölz hebben zij rond de honderd originele afdrukken. Ze nodigden curator Wim van Sinderen uit om naar een thema van zijn keuze een expositie samen te stellen, hier en daar aangevuld met werk uit de eigen collectie van het museum.
Het thema dat Van Sinderen koos, ‘de stad’, was weliswaar geïnspireerd door het werk van Schmölz, maar biedt vervolgens alle ruimte aan alle soorten fotografie uit de afgelopen halve eeuw. Naast het strak geregisseerde van Schmölz vind je de straatfotografie met Daido Moriyama’s snapshots van Tokio en Ed van der Elskens vetkuiven en suikerspinnen. De kleurenfotografie verschijnt ten tonele met het aardbeien- en slagroomtoetje in hoogglans technicolor van Martin Parr, de documentaire verhalen worden verteld met de ontroerende portretten van de New Yorkse daklozen van Dana Lixenberg.
Van stilte tot gedruis, de tentoonstelling waaiert net zo vrij en chaotisch en kleurrijk en fragmentarisch uit als het stadsleven zelf. Van Sinderen noemt het zelf „een losjes, bijna jazz-achtige improvisatie op een thema”. Als bezoeker moet je op je gevoel varen, want duiding of betoog of chronologie is er niet, behalve een summiere inleiding en wat citaten op de muren van uiteenlopende figuren als Bono en Robert Musil en fotografe Diane Arbus die zegt: ‘I have never taken a picture I’ve intended. They’re always better or worse.’ Onwillekeurig vraag je je af: haar portretten die hier hangen, zoals die van een Puertoricaanse huisvrouw en een burlesque danseres, zijn die better or worse?
Nog sprekender dan de naoorlogse reeks van Schmölz heeft de Amerikaanse fotograaf Lee Friedlander het stedelijke gevoel te pakken met zijn serie The New Cars. Het tijdschrift Harper’s Bazaar gaf Friedlander opdracht om de nieuwe auto’s van 1964 te fotograferen. Zoals voor Schmölz de gebouwen de hoofdrol speelden, waren dat voor Friedlander deze auto’s. Hij plaatste ze als quasi-onopvallende passanten in het gruizige stadsdecor van autosloperijen, of achter de glazen voordeur van een diner, of terloops half in beeld langs de stoep.
De autofabrikanten waren niet tevreden en het tijdschrift heeft ze niet afgedrukt. In het museum is te zien dat ze ongelijk hadden: Friedlander heeft juist van de auto’s de ongekroonde koninginnen gemaakt van de Amerikaanse stad van hun tijdperk.
In 1958 maakte Ray Metzker een foto in Chicago, Light lines geheten. Zo simpel als het onderwerp is – de benen van twee mensen die oversteken en de schaduwen die ze op het asfalt werpen – zo vol optimisme en ongekende mogelijkheden is die foto. De Duitse fotograaf Michael Wolf laat in Azië een andere wereld zien, met zijn beelden van forensen die tegen de ruiten vol condens van de metro worden geplet en hun reis in lijdzaamheid ondergaan. De stad bevrijdt, de stad bedrukt.
Boven: Saul Leiter, Taxi, 1957Onder: Ray Metzker,Light Lines, 1958
Foto’s Fotomuseum Den Haag
Boven: Saul Leiter, Taxi, 1957Onder: Ray Metzker,Light Lines, 1958
Foto’s Fotomuseum Den Haag


donderdag 24 juli 2014

Foam: new steps in Fashion Photography

The Don't Stop Now: Fashion Photography Next exhibition, organised by Foam in collaboration with guest curator Magdalene Keaney, starts out from the fact that fashion photographers are first and foremost photographers. The exhibition provides a platform for a new generation of image-makers who work with fashion. Don't Stop Now: Fashion Photography Next offers an exciting glimpse into the wealth of contemporary practices in fashion photography, resulting in a dynamic, colourful and multi-faceted presentation.
Variety and hybrid are two major characterisations of the work of these young photographers. The exhibition shows the diversity in approaches, as well as the abundance of photographic methods. Developments in fashion photography proceed for the most part equally as those in other fields of photography. Contrary to the possibilities presented by digital technology, many emerging photographers turn to analogue techniques and process their own images in the darkroom. Some photographers are particularly interested in the artificial character of the fashion image and are pushing the limits of the medium via manual interventions and manipulation; others, on the contrary, investigate the possibilities  offered by the digital aesthetic. To do so, various forms are juxtaposed and combined, such as studio and location shots, and genres such as still life, landscape, portrait and abstraction. Collage, sculpture, installations and performance also naturally assume a place in their method of working. The most important rule is that there are in fact no rules.
The emergence of zines, independent underground publishers and self-publishing has offered a welcome alternative to the monopoly position long held by the major publishing companies. This has created a kind of underground circuit that allows more space for experimentation, existing parallel to the world of the established global fashion industry. The opportunities presented by self-publishing and social media are for many of the photographers discussed here a major instrument of promoting their own work without mediation by galleries, agencies or established institutions.
The photographers who are featured here are considered as a new generation making groundbreaking work and following in the footsteps of famed colleagues of the established order, such as Mario Testino, Steven Meisel, Jürgen Teller or Inez & Vinoodh. Concurrent with this exhibition, a book by Magdalene Keaney with the same title will be published by Thames & Hudson. Don't Stop Now: Fashion Photography Nextis intended as a positive statement regarding the work of the young photographers included in the exhibition and the book, both now and in the future.

Foam: nieuwe stappen in modefotografie
DoorSandra Heerma van Voss

 Mooie jonge mensen in grote onderbroeken, stoeiend in een kaal huis – dit hebben we eerder gezien. Net als de treurige mannequin met sprietjeshaar die een kleine, stille pauze neemt van de catwalk-chaos om haar heen.
Deze foto’s van Chad Moore ( VS, 1987) en Kasia Bobula (Polen, 1983) voldoen aan de grootste clichés in de modefotografie: het quasi-nonchalant etaleren van benijdenswaardige fysieke schoonheid. Opvallende styling is leuker, doet de kleding meer recht en lijkt gek genoeg bereikbaarder, zeker als een fotograaf voor afwijkende modellen kiest. Charlie Engman (VS, 1987) plaatst zijn eigen moeder – rood recht haar, chagrijnige tronie – in designkleding voor kleurige kartonnen studiodecors.
Bij Erik Madigan Heck (VS, 1983) vergroeien kostuums, kapsels en achtergrond middels digitale bewerking tot een soort geometrisch behang waaruit alleen de bleke huid van de mannequins oplicht. Het zwart-witportret dat de Nederlander Philippe Vogelenzang (1983) maakte van actrice Gabourey Sidibe, als rijzige operazangeres in een plisséjurk van Issey Miyake, is zo mooi dat het de grenzen van het genre ver overstijgt. Elk detail draagt bij aan een karakterstudie.
Alle vijf de fotografen werden door curator Magdalene Keaney geselecteerd voor Fashion Photography Next, een prachtig uitgegeven boek waarin ze een nieuwe lichting onder bredere aandacht wil brengen. Voor fotomuseum Foam in Amsterdam stelde Keaney rond deze 35 namen een bescheiden tentoonstelling samen, met werk dat grotendeels met het boek overlapt. Een generatie is het niet echt; er zitten twintigers en veertigers bij, en ook stilistisch zijn de onderlinge verschillen groot.
Er kleven nogal wat stigma’s aan de term modefotografie, blijkt uit Keaneys interessante inleiding. Het voorvoegsel ‘mode’ duidt op trendy, helemaal van nu, en dus vergankelijk, gekoppeld aan de waan van de dag. Binnen het kunstfotografisch establishment geldt het als een oppervlakkig subgenre. Keaney vindt dit grote onzin. Doordat het zo snel is, kan modefotografie voorloper en zelfs aanjager zijn op technisch en sociaal-maatschappelijk gebied – denk aan Calvin Kleins unisex-parfumreclames. Bovendien is het een echt vak: de fotografen uit Fashion Photography Next zijn veelal academisch opgeleid en breed kunsthistorisch onderlegd. Ze klonteren vanouds samen in de drie modecentra (Londen, New York, Parijs) en werken met ouderwetse, langzame camera’s.
Grote kledingconcerns en prestigieuze papieren (!) tijdschriften – VogueWThe gentlewoman – zijn nog altijd de machtigste en/of meest begeerde opdrachtgevers, hoewel de creatieve mogelijkheden hier ondergeschikt zijn aan de wensen en het budget van de klant.
Nieuwe ontwikkelingen zijn er ook. De macht van bedrijven, bladen en de kunstscene is niet meer allesbepalend; dankzij internet en ‘independent’ tijdschriften is een bloeiende undergroundcultuur ontstaan. Wie nu een boek wil maken, neemt een onafhankelijke uitgever in de arm en verkoopt het online. ‘Zines’, blogs en social media geven een fotograaf de kans om in alle vrijheid en zo snel als hij (of zij; het aantal vrouwen áchter de camera neemt voor het eerst in de honderdjarige geschiedenis van het vak snel toe) wil een publiek voor zijn werk te vinden.

Een van de moderne modefotografen in Foam: de Amerikaan Charlie Engman, met een titelloze foto uit 2013.
Foto Charlie Engman

vrijdag 18 juli 2014

Roma-meisje Sabrina een kleine prinses in een houten hut Stefano Carini Photography

Roma-meisje Sabrina, een kleine prinses in een houten hut
Door Nynke van Verschuer & Stefano Carini
17 juli 2014  
Sinds vier jaar volgt fotograaf Stefano Carini het Roma-meisje Sabrina en haar familie. ‘Het is eigenlijk een heel beschermde omgeving.’
‘Het begon niet erg romantisch. Ik studeerde aan de fotoacademie, ik moest een reportage maken om te oefenen. Ik koos als onderwerp de Roma-gemeenschap in Turijn. Ik kom uit Turijn, ik kende de zigeuners, bedelend bij het stoplicht of schoenen poetsend in het centrum. Ik had eigenlijk geen benul waar ze woonden en hoe ze leefden, dus besloot ik een aantal van hun kampen te bezoeken en daar een verhaal van te maken. Dat viel niet mee – de bewoners zaten niet te wachten op zo’n studentje met een te grote lens.

De enige die me welwillend begroette, was de grootmoeder van Sabrina, Sabina. We raakten aan de praat, ze vertelde mij over haar leven. Ze kwam uit Roemenië. Na de val van Ceaușescu was ze langzaam maar zeker alles kwijtgeraakt: eerst haar baan, toen haar huis. Ze had een broer hier, in Turijn, die haar zei dat het in Italië makkelijker zou zijn om een nieuw leven op te bouwen dan in Roemenië. Samen met haar man en haar zwangere schoondochter reisde Sabina naar Italië. Hier aangekomen barstte ze in tranen uit. “Aan de oever van de rivier stonden een paar houten schuurtjes, de stank van het open riool was ondraaglijk en het stikte er van de ratten.”’
“De hemel,” zei ze, “die moet blauw en niet zo grijs"
‘In 2003 werd Sabrina geboren. Toen zij net een jaar oud was, vond Sabina haar op een matras in de hut. Haar moeder was verdwenen. Vanaf dat moment zorgen Sabrina’s grootouders voor haar. Sabrina noemt hen mama en papa.

De reportage over de verschillende Roma-kampen heb ik nooit meer gemaakt. Sabrina en haar familie ontmoette ik in 2010, sindsdien kom ik er regelmatig over de vloer en fotografeerde ik het huis en het dagelijks leven. Ik stond ervan versteld wat een doodgewoon gezinsleven zij hebben. Sabrina is dol op haar grootouders en andersom. Ze wonen in een houten hut met twee kamers, zonder stromend water of elektriciteit. Toch hebben ze er alles aan gedaan om het gezellig te maken, met wandkleden om het hout achter te verstoppen, tapijtjes, planten en potten en pannen.

Inmiddels is Sabrina bijna elf, ze gaat dit najaar naar de middelbare school. Haar grootmoeder is een intelligente vrouw die er alles aan doet om ervoor te zorgen dat Sabrina ooit wel een baan krijgt en in een huis van steen kan wonen.

Het bleef moeilijk voor me om me voor te stellen wat het nu precies betekent om geboren te worden in zo’n kamp, wat het doet met je denkbeelden en je dromen. In het begin maakten we weleens tekeningen samen, zoals je dat met kinderen doet. Het bracht me op het idee om Sabrina ook een camera te geven en haar tekeningen op te nemen in mijn verhaal, zodat zij zelf kon laten zien hoe ze de wereld om zich heen bekijkt.

Ik maakte een foto van het kamp, van veraf. Sabrina en ik keken ernaar, kinderen dromden om ons heen en waren verrukt, ze hadden hun kleine dorp nog nooit zo van de buitenkant bekeken. Ik vroeg Sabrina hoe het zou moeten zijn. “De hemel,” zei ze, “die moet blauw en niet zo grijs.” We kleurden de hemel blauw. ‘En we hebben helemaal geen planten, laten we ook bloemen nemen.’ En zo tekenden we het hele kamp vol met bloemen.’
'Het is heel raar en een beetje lachwekkend om te zien hoe kinderen van tien, twaalf jaar daar met elkaar omgaan alsof ze volwassen zijn'
‘Na schooltijd speelt het hele leven zich af in het kamp. Het is eigenlijk een heel beschermde omgeving voor een kind om op te groeien, iedereen kent elkaar en mensen van buiten zijn niet welkom. Sabrina speelt met haar leeftijdsgenootjes of helpt in het huishouden. Maar hoewel ze nog niet eens elf jaar is, is ze in de Roma-gemeenschap al bijna een vrouw.

In een houten schuurtje in het kamp is een bar ingericht, met een biljart en een muziekinstallatie. Het is heel raar en een beetje lachwekkend om te zien hoe kinderen van tien, twaalf jaar daar met elkaar omgaan alsof ze volwassen zijn. De meisjes dragen al veel make-up en ze dansen uitdagend met de jongens.

Sabrina zegt dat ze lerares wil worden, of kapster. Maar soms wordt ze ook opstandig als je haar vraagt wat ze later wil worden. “Ik wil een zigeuner zijn!” roept ze dan. Haar vader, haar broer en haar zus wonen nog in Roemenië. Soms droomt ze ervan om bij hen te wonen. Sabrina is een lief kind, heel zorgzaam, en ze helpt graag in het huishouden. Maar ze wordt als enig kind in het gezin ook heel erg verwend en zelden tegengesproken. Ze noemen haar hun kleine prinses. Een kleine prinses in een houten hut, dat wel.’

zondag 13 juli 2014

Souvenir Album Midden-Java Djocjakarta, N.V. v/h H. Buning Dutch East Indies Photography

Souvenir Album Midden-Java

Djocjakarta, N.V. v/h H. Buning [c. 1925] - Dark green paper portfolio with cover printed in gold containing 13 (of 20?) photo plates depicting Javanese dancers , opiumsmokers, brassworkers, batiking women, Javanese antiquities, the court of the Sultan of Djocja, a gamelan orchestra, etc., all with printed legends in Dutch, English, French and German measuring 23,5 x 28 cm. each. Slight wear to portfolio, plates in excellent condition.

Nederlands-Indië in foto's, 1860-1940
Photography in the Dutch East Indies

The commercial photographers who started working in the Dutch East Indies from 1845 led a nomadic existence. They would set up a studio in a large town or hotel or at the home of an acquaintance, advertise in the local paper and take a photograph of anybody who had money to spare for that purpose. After a couple of weeks or months when the market had become saturated, they moved on to the next town. Among these pioneers were the two young Englishmen Walter Bentley Woodbury and James Page. From 1857 to 1908 Woodbury & Page was a leading firm in the photography sector in the Dutch East Indies.

Primarily, the commercial photographers took portraits of people, more particularly of prominent individuals. In addition, they sold topographic photos, i.e. pictures of important buildings, streets, volcanoes or agricultural enterprises. Pictures of the various population types in the colony also formed part of their repertoire. The topographic photos were chiefly sold as ‘souvenirs’.

During the last decades of the nineteenth century, the photographers’ wanderings came to an end. At that time, every large town had one or more permanently established photographers. The Surabayan photographers Onnes Kurkdjian  and Herman Salzwedel and the Javan, Kassian Céphas (who worked in Yogyakarta) were famous names at the time.

The heyday of commercial photography was over by the beginning of the twentieth century and the role it played in forming an image of the Dutch East Indies diminished noticeably. There were two reasons for this. The introduction of the picture postcard brought an end to the market for topographic photos. And then, thanks to the many technical improvements, photography had essentially become the domain of amateurs: now everybody could make his or her own ‘souvenirs’.

See also 

the Souvenir Photo Albums of the Dutch East Indies by Kurkdjian & Co Photo Studio Photography

 The Aloen-Aloen at Djocjakarta

 Javanese Orchestre

 Thronehall of the Sultan of Djocjacarta

 The Tjandi Mendoet

 The Tjandi-Prambanan

 The Boro-Boedoer Temple

Small gate on the cemetery of the Sultan at Pasargede

 Statue of Boeddha in the Tjandi Mendoet